zondag 2 juli 2017

Sierstrips


Strips werden in mijn jeugd door ouders met arrogant dedain bekeken: wegwerp-kiosklectuur; dom kindervertier. Het was niet meer dan dat. Van Donald Duck zouden we haast analfabeet worden. Als mijn ouders zich daar al niet onder schaarden, dan werd dit soort vermaak ook door de zogenaamde intellectuelen en traditionele kunstelite als loos beschouwd. Derhalve genegeerd.

Het feit dat we sinds 2004 in Groningen het Nationaal Stripmuseum kunnen bezoeken getuigt ervan dat het genre museumwaardig is. Derhalve van zekere culturele waarde. Het genre is volwassen geworden. Het doet er toe.

In 1966 begon de Duitstalige Waal Hermann Huppen (1938) met het tekenen van de politieserie Bernard Prince. Hij signeert zijn werk met ‘Hermann’. In 2016 ontving hij de prestigieuze Grand Prix de la ville Angoulême . Niet niks, in de wereld van de strips.

Rik Ringers is andere koek. Gilbert Gascard (1931-2010) tekende zich een ongeluk. Maar liefst 78 delen. De hoofdpersoon is een misdaadverslaggever die veel van de zaken waar hij zijn neus instak wist op te lossen. Dan denken we al gauw aan het eigengereide fenomeen Peter R. de Vries.

Bernard Prince en Rik Ringers vormden een serie verhalen die de stripweekbladen Kuifje en Robbedoes in hun sobere jaren financieel boven water wisten te houden. Totdat de uitgeverij ervan uiteindelijk het loodje legden.

We zien hier twee fragmenten uit genoemde strips. Deze laten zich kenmerken door een realistische, trefzekere tekenstijl. Compositie en belichting, Alles klopt. De beelden vormen een filmisch verhaal, getekend en gekleurd tegen een strak, dagelijks decor. In klare lijn. Sierstrips, dat zijn ze.

Eerst een fragment uit Gisteren en Vandaag, deel 14 (1980) uit de reeks van Bernard Prince.



We vallen midden in het verhaal. Een 404 scheurt met hoge snelheid langs een Zuid-Frans strand. Gelet de hoge, wuivende palmen, dan zijn we in nachtelijk Nice. De tekenaar heeft verzuimd een chauffeur achter het stuur te zetten. Dan belooft dat wat, daar op die tragische Boulevard des Anglais.

Maar dan zitten we ineens in een volstrekt ander verhaal: De Duivelse Tweeling, deeltje 47 (1989) van Rik Ringers.




De taxichauffeur wordt door een goed geklede, identieke tweeling gemaand haast te maken. Maar de chauffeur heeft andere dingen aan zijn hoofd: de versnelling doet niet wat deze op dat moment moet doen. Dan schiet de 404 plots achteruit en wordt met een forse klap in de flank gereden door een Berliet Stradair. De tekstballonnetjes op de twee laatste plaatjes geven duidelijk aan wat zich binnen een vloek en een zucht afspeelt. Strips als deze intrigeren. Ze worden realistisch verbeeld. De twee schuifjes van de climatisation in het midden van het dashboard op het eerste plaatje is een subtiel detail. Alleen in de allereerste versie van de Peugeot 404 treft men deze op die plek aan. De taxichauffeur rijdt kennelijk in een wat scharrig exemplaar uit 1961. Dat de versnelling het dan even laat afweten, soit: de auto is immers minstens vier jaar oud, want de Berliet Stradair zag pas in 1965 het licht. 

Rekenkunde.

Striptekeningen die de werkelijkheid verbeelden. Dat doen deze. Dan vraag je je af welke auto dat is die daar als taxi op de parkeerplaats staat stil te staan. Een Vauxhall Victor, een Fiat 124, een of andere Simca? Het lijkt er allemaal op, maar dat zijn ze niet.

Maar de 404 wisten beide tekenaars maar al te goed vanuit kikvorsperspectief weer te geven.




Stoer, strak en sterk.

Mooi werk.


zaterdag 20 mei 2017

Narcissus

Architect Gert Korteweg schetste ooit Huis de Beurs vanuit een verrassend perspectief. Hij tekende kennelijk vanaf een keukentrap. Als je je ogen goed de kost geeft, dan valt er veel te beleven.

Na een dienstverband van iets meer dan tien jaar bij Huis de Beurs diende ik per 1 mei 2017 mijn ontslag in. Het was mooi geweest. Klaar is klaar. Klaar is Kees. In een door Marijke Brouwer goed en helder weergegeven interview in het Dagblad van het Noorden van 14 april 2017 laten de laatste twee alinea’s over mijn motieven aan duidelijkheid niets te wensen over.




Naar aanleiding van dit artikel werd ik door een journalist van RTVNoord benaderd met de vraag of hij een korte reportage met mij zou mogen maken. Ik twijfelde, maar al rap gaf ik hem te kennen dat ik ervan af zag: het artikel in het Dagblad van het Noorden was klip en klaar. En ach, het was allemaal weinig nieuwswaardig. Daarmee stelde ik de man teleur. Dat moest dan maar. *)

Gestoken in mijn fuchsia-roze kostuum toog ik op donderdag 20 april voor de laatste keer naar mijn werk. De bedrijfsleiding had me in de gelegenheid gesteld hier en daar met koffie en gebak te strooien en wat later op de dag met hier een glaasje bier en daar een glaasje wijn. Toen ik vanaf tafel 20 opstond om voor mijn gezelschap een taartje te halen keek ik plots in de camera van de man die ik een dag ervoor beleefd had medegedeeld niet van zijn reportage gediend te zijn. Desondanks stond hij daar, de RTV/Noord-man die met inhoudelijke ledigheid genoegen neemt. Iedere seconde zendtijd zal hem waardevol zijn. Mij niet.

Maar goed. Die donderdag de twintigste. Vanaf het vroege uur kwamen de mensen af en aan om afscheid te nemen. Het deed me grote deugd, maar het was me allemaal te veel eer. Niettemin deed men dat met lieve, hartelijke woorden, met verse snijbloemen, met veel goede boeken, Alkmaarse stroopkoeken, met een geurige eau-de-toilette, met divers vinyl, met een tasje gevuld met snacks, met droge hammen, flessen wijn, kunst in diverse uitingen, met geld, met waardebonnen voor middenstand en cultuur, met drank, historisch serviesgoed, een simpel flesje bier waarop een een hartelijk woord geplakt, een smakelijk samengesteld kaasplankje en een plastic bakje met pitloze, zoete, witte druiven. Ja, de mensen wisten maar al te goed waarmee ze mij konden verrassen.

Om vijf uur was het gedaan.

Collega’s verschenen om met mij een laatste potje bier te drinken. De tent liep vol. Aan een hoektafeltje deed een Rotterdammer zich tegoed aan gebakken runderlever met veel ui. Daarbij vroeg hij zich af in welk vrolijk en feestelijk circus hij daar, op een willekeurige donderdagmiddag, in godsnaam was beland. Groningen, dat is toch immers star, stug en stuurs. Hij kon niet anders constateren dan dat de werkelijkheid volstrekt anders was.

Inmiddels verraste pianist Leo Lariekoek mij op een vrolijk lied dat hij de avond ervoor uit zijn mouw had geschud. Op zijn dwingend verzoek stonden allen op bij het zingen ervan. ‘Staan, dat zingt beter’ onderwees hij de aanwezigen. Intussen irriteerde het me dat een van mijn dochters op dit gedenkwaardig moment niet aanwezig was. Ze wist ervan. Maar aan het eind van het liedje kwam ze fier de deur binnengedraaid. Ik vroeg Leo én de aanwezigen dat mooie lied nog één keer te zingen. Dan kon het mee in haar herinnering.

En daar ging het weer.

Vervolgens hield ik een korte toespraak:
_

Dat was het. Ruim tien jaar Huis de Beurs.

Mooie jaren. Dat waren ze.

Al die mensen die ik hier heb ontmoet hebben mijn leven royaal verrijkt, ieder op hun eigen manier:  de kunstenaars, de mannen van de milieudienst, de mannen en vrouwen van het dameskoor, de scherpe juristen, de spijbelende scholieren, de buitenechtelijke relaties, de ambitieuze architecten, de kooplieden van de Vismarkt, de Ommelanders, de uitgeputte nachtdienst van de intensive care van het UMCG, de lokale politici, de dames van de Nieuwstad, de bekende Nederlanders,  de winkelende vriendinnen, de dubieuze zakenlui, de graanboeren op de dinsdagmorgen, de stille alcoholisten, de achteloze studenten, de nachtzusters van het Martini-ziekenhuis en al die toevallige passanten.
Ach, allen zijn me lief. 

Maar dat zijn zeker mijn zo gewaardeerde collega’s, de keukenbrigade, de internationale afwassers, de studenten met hun nul-urencontract en de nauwgezette schoonmaker voor wie ik een groot respect betoon. Jullie allen gaven me het werk in huis de Beurs de juiste kleur en het vrolijk genoegen. 
Daarvoor mijn grote dank.

Sinds 1779 bevindt zich op deze kadastrale plek iets dat tegenwoordig wordt aangeduid als horeca: een herberg, een drankhuis, een volkshuis, een tapperij, een drankgelegenheid, een café, een restaurant. Kortom, een place-to-be. Daar zullen die Duitse soldaten en Hollandse collaborateurs eind april 1945 wel anders over hebben gedacht toen de geallieerde autoriteiten Huis de Beurs als interneringsruimte opeisten. Dit ter zijde.

Zonder personeel had geen enkele exploitant het  in de loop der eeuwen zakelijk  gered.  Ik was één van de velen, een klein radertje in de wonderlijke geschiedenis van Huis de Beurs. Zo klein de rol, zo groot het genoegen waarmee ik deze heb gespeeld.

Ik stap op, maar de zaak raast onverdroten voort.  Dat vraagt de traditie.

Van veel mensen vernam ik  mooie woorden. Sommige met een sentimentele constatering waarin waardering schuilt: ‘We zullen je missen.’  Treffender als dit kan een compliment niet worden verpakt.  Ongetwijfeld zal ik ook een en ander gaan missen. Het zij zo.

Maar goed. 

Nogmaals: dit was het. Ik ga andere dingen doen.

Het zijn de herinneringen die me resteren.
_



Leo Aukes pakte de muzikale draad weer op.

Hieronder de tekst van hun muzikale bijdragen: links die van de ene en rechts die van de andere Leo.



En daar zat ik, aan tafel 14, in een goed en boeiend gesprek met Peter en Eef uit het Friese Mantgum. Tussendoor tikte iemand me op de schouder. Het bleek Mark, een personeelsfunctionaris van Bos & Bos. Hij drukte me achteloos een kleurig en geurig ruikertje in de hand. ‘Mede namens Renske en John,’ voegde hij er als boodschapper aan toe. En weg was hij weer. De directie nam aldus afscheid van een werknemer. Dit illustreert het citaat uit het interview met Marijke Brouwers: ‘Door een overname ben ik in een bedrijfscultuur beland die de mijne niet is.’

Het werd een dag om in te lijsten.



_____________________________________________________________________________________

*) 

Die dag nodigde Piet van Dijken mij uit voor Herestraat Helemaal. Het werd aflevering 517. Het moest zo wezen: de 5 staat voor de maand mei en 17 voor dit kalenderjaar. Per die datum nam ik ontslag. Maar goed, Herestraat Helemaal. Ik heb het geweten. Het pakte wonderlijk uit: 

https://www.oogtv.nl/uitzending-gemist/tv/herestraat-helemaal-coen-van-uhm/



maandag 8 mei 2017

Klaatu


Klaatu was een Canadese band uit de jaren '70. Omdat op al hun albums geen enkele informatie stond vermeld over de samenstelling van de band en omdat de muziek nogal beatlesque aan deed werd gedurende lange tijd verondersteld dat The Beatles onder dit pseudoniem platen maakten. Goed beschouwd helemaal geen gekke gedachte.



Vanmorgen scheurde ik gisteren van de zeurkalender af en trof vervolgens deze schets.




Van Straaten wist brede maatschappelijk problematiek op zijn eigen wijze subtiel te verbeelden. We zien hier een zorgelijk kijkende man in krijtpak, wapperende stropdas en een koffertje met wellicht gewichtige inhoud. De badge op zijn linker revers verraadt dat hij zojuist een symposium heeft toegesproken. Hij verbouwereert de journaliste zichtbaar met een ondenkbaar perspectief.

En daar was onmiddellijk mijn associatie met een prachtig liedje van Klaatu, 'Calling Occupants of Interplanetary Craft' (1977).

https://www.google.nl/search?q=youtube+klaatu+calling+occupants&oq=you+tube+klaatu+calling&aqs=chrome.2.69i57j69i60j0j69i60l2j69i64.31453j0j4&sou

De stemmen, de structuur, de opbouw van het liedje en de verrassende wendingen, deze roepen veel muzikale herinneringen op aan de muziek van The Beatles vanaf 1967.

In het Dagblad van het Noorden van 4 mei jl trof ik dit bericht:



Hawking gaat profetisch en wetenschappelijk serieus aan de haal met een vluchtige cartoon die Van Straaten meer dan twee jaar geleden schetste.

Het moest allemaal niet gekker worden.



woensdag 22 maart 2017

Zeezicht en Nuenen

Vandaag hadden exposities in het Rijks en het Stedelijk in Amsterdam mijn belangstelling.

In het Rijks Museum bezocht ik Goede Hoop, een confronterende tentoonstelling, samengesteld door Adriaan van Dis. Aan de hand van foto's, brieven, literatuur en allerlei parafernalia illustreert hij de kwalijke rol van Nederland als kolonisator van Zuid-Afrika gedurende meer dan vierhonderd jaar. Deze pikzwarte bladzijde uit het verleden van Nederland krijgt in geen enkel geschiedenisboek de aandacht die het verdient.

Het Stedelijk Museum presenteert een overdadige overzichtstentoonstelling van het werk van Ed van der Elsken. Allemaal gesneden koek.


Letterlijk daar tussenin stapte ik even het Van Gogh  binnen, nieuwsgierig naar de vraag hoe Zeezicht bij Scheveningen en Het uitgaan van de Hervormde Kerk te Nuenen er bij zouden hangen. Deze in 2002 geroofde schilderijen van Vincent van Gogh werden onlangs op wonderlijke wijze teruggevonden in een schuur van de ouders van een Napolitaanse drugsbaron van de Camorra. 


Diefstal en Vondst worden vanaf vandaag in een minitentoonstelling in het Van Gogh uitvoerig uiteengezet.



En daar hingen ze, de beide kleine paneeltjes, aan een wandje dat symbolisch in het verlengde is neergezet van het destijds vermorzelde raam via welke deze in 2002 het Van Gogh onwetmatig verlieten. Op de foto hierboven zien we het betreffende raam pal achter de bewakingscamera die boven de derde witte pilaar van rechts op de dakrand is aangebracht. 



Zo rommelig het oogt, zo rommelig het was. 






maandag 13 maart 2017

Deventer


Op weg naar de expositie De vroege Van Gogh in het Kröller-Müller moest ik in Deventer een kleine twintig minuten wachten op de overstap naar Apeldoorn.

Het uit begin vorige eeuw daterend station met monumentaal interieur van geglazuurd gele baksteen, turquoise tegeltjes, sierlijke, functionele teksttableaus en glanzend gelakt houten meubilair heeft de tand des tijds wonderlijk mooi doorstaan. 

Maar toch. Ook hier hebben de loketten plaats gemaakt voor landelijk opererende middenstand. In Deventer heeft een AH to go er bezit van genomen. 




Ik ging er binnen. De enige aanwezige was de caissière. Ze vulde vakken.

De broodjesafdeling had mijn aandacht. Met een saucijzenbroodje liep ik naar de kassa, waar zojuist een jongeman op af was gesneld.

Op de zakelijke vraag van de vriendelijke caissière waarmee ze hem van dienst kon zijn antwoordde hij: ‘Condooms’ en knikte daarbij naar een blauw doosje met vijf stuks Durex Extra Safe, dat tussen de rookwaren achter de balie was weggestopt. Hoe dan ook, de caissière had aan een half woord meer dan genoeg.

‘Een fijne dag!’ wenste ze de jongeman toe toen deze de winkel met dezelfde haast verliet als die waarmee hij deze was binnen gekomen.

'Dat zal wel lukken met die aanschaf’, fluisterde ik de caissière met een knipoog schalks toe. Met haar subtiele glimlach leek ze in te stemmen met mijn veronderstelling.

En daar sta je dan, op een willekeurige zaterdagmorgen in de AH to go van het station van Deventer, anderman’s intieme voornemens vluchtig te delen met zo maar een winkelmeisje.

Bij het afrekenen van mijn saucijzenbroodje stopte ze me met fijne humor 'Een fijne dag !’ toe.

'Dat zal wel lukken met deze aanschaf,’ vertrouwde ik haar toe en ik vervolgde mijn weg.

Op naar Van Gogh.

donderdag 2 februari 2017

Autowasstraat


Met de voorkant er in, dan komt die er ook met de voorkant weer uit. Je zou hem er natuurlijk ook achterwaarts in kunnen rijden. Dan word je in ieder geval niet geconfronteerd met die dreigende, metersbrede heteluchtdroger die aan het eind van het wasprogramma traag en schoksgewijs, uiteindelijk toch nog voor de voorruit wijkt. Mijn 404 laat ik tegenwoordig mooi in zijn eentje op de kettingbaan van de autowasstraat. Bij eerdere gelegenheden gutste het water via het ferm gesloten schuifdak desondanks royaal over me heen. Rubbers van zesenvijftig jaar oud. Dat wil dan wel.


Hierboven het moment waarop de 404 de wasstraat in wordt getrokken. Het romige sop, de gretige, blauwe borstels en het wassende water doen hun werk. Geluiden van deze bedrijvigheid, die horen we niet, maar deze beloven veel. 

Dat zien we hier:


De heteluchtdroger bevindt zich inmiddels veilig boven het dak. Een geruststellende constatering. De achteruitkijkspiegels, maar ook de sierstrips aan beide zijden blijken het mechanisch geweld van de wasstraat ongeschonden te hebben doorstaan. Nog even en de 404 rolt mooi en schoon van de baan. 

In glanzend turquoise rijd ik verder van waar ik was.

woensdag 21 december 2016

De Pintelier



Café De Pintelier in de Kleine Kromme Elleboog in Groningen werd onlangs door Misset Horeca uitgeroepen tot het tweede beste café van Nederland. Bierbeleving op z’n best ronkte de kop van het artikel in een recente editie van MH, het maandblad van deze uitgever. 



Ik citeer even de site van de onderzoeker. Dan weten we met wie we van doen hebben: Misset Horeca is dé multimediale informatiebron voor ondernemers en managers in de horeca.

Die tweede plek in de Café Top 100 wenst zich iedere ondernemer. Maar zij die zich niet voor € 119,- bij Misset Horeca inkopen om aan deze verkiezing te mogen deelnemen worden daarvan buitengesloten. Objectiviteit en onafhankelijkheid, dat zijn de stevige pijlers van deugdelijk en betrouwbaar onderzoek. En zeker geen slordige bijdrage van € 119,-. Daarmee maakt dé multimediale informatiebron al haar publicaties dubieus.

Goed.

Mooie, lovende woorden over De Pintelier. We zullen het beleven.

Mijn geliefde en ik zochten in augustus een plekje in de namiddagzon op het terras van De Uurwerker. Het was er overvol. Ja, dat wil wel, op zo’n uur en op zo’n plek. Aan de overkant van het pleintje waren nog enkele stoelen beschikbaar. De terrassen lopen er ongemerkt in elkaar over. Aldus belandden we bij De Pintelier. Het beloofde een gezellig uurtje te worden.

Al snel was hij daar, de vriendelijk ogende ober. We deden onze bestelling: een malt en een grote Weizener. Knikkend naar de derde stoel die we hadden bemachtigd gaven we de ober te kennen dat we deze voor onze dochter Ruth hadden klaargezet. Ze kon er ieder moment zijn.

Onze bestelling werd vlot geserveerd en zakelijk afgerond met de constatering: ‘Dat is dan € 7,90.’

Maar onze dochter gaat zo ook iets bestellen’, merkte ik op.

De ober was onverbiddelijk: ‘Meneer: € 7,90.’

‘Dan loop ik even mee naar binnen om te pinnen.’

Eenmaal daar zei ik dat het mijn goede gewoonte is altijd een een extraatje voor het personeel achter te laten, maar dat ik er hier, verbluft door het ontbreken aan flexibiliteit en gastheerschap, van af zag.

En daar zat ik weer, op dat terras, die mooie, lome dag.

Een dame en een heer, elk in een comfortabele, elektrische rolstoel zochten er hun ruimte. Ze positioneerden zich pal naast ons, op een plek waar zich geen tafeltje bevond. De door hun bestelde glaasjes rode wijn werden hen door mijn ober in de handen aangereikt evenals, wat later, hun tweede rondje. Van een financiële afwikkeling was op beide momenten zichtbaar geen sprake. Op rekening derhalve.

En daar was onze Ruth! En ook de ober.

‘Doe mij maar een Leffe Blond’.

Ook deze bestelling werd rap bezorgd. En alweer werd me gesommeerd deze onmiddellijk af te rekenen.Daar ging ik weer, richting pin. Een jongedame wachtte me daar al op: ‘U komt de Leffe Blond afrekenen?!’

Op mijn nieuwsgierige vraag aan de inmiddels irritante ober waarom ik per se meteen moest afrekenen en de overige gasten kennelijk niet, antwoordde hij dat we aan een tafeltje zaten waarop al een rekening van een andere gast was geopend. Administratief ingewikkeld. Daarop deelde ik hem mee dat het door hen gebruikte kassasysteem mij vertrouwd is. Dit biedt onuitputtelijke mogelijkheden. Je kunt rekeningen splitsen, een fictief tafelnummer creëren, een willekeurige barkruk aan een gast toewijzen en een rekening op naam of rolstoel zetten.

‘Is u zo dom dat u dit niet kunt?’ luidde geïrriteerd mijn retorische vraag.

‘Kennelijk,’ was zijn ongeloofwaardig antwoord. De wijze waarop de vier wijntjes van de twee rolstoelers in zijn systeem waren geadministreerd intrigeerde me, maar het ging me niet aan.

Het hinderlijk ongemak voor ons diende kennelijk het praktisch gemak van de bediening. Deze constatering ontnam me de lust daar nog langer te vertoeven. Ik besloot dat terras rap te verlaten om er nooit meer terug te keren.

De overkant, die is me zoveel liever.