vrijdag 2 november 2018

Orrvèrzéssel



In februari dit jaar waren we een dag of wat in Boedapest. Zeker voor mij wat aan de korte kant. Ik kondigde de dames dan ook aan aan in het najaar er nog een bezoek aan vast te knopen. Voilá: begin oktober. Ik trok er zes dagen voor uit.

Het was een eenvoudige kamer waar ik verbleef, Prater Utca 7, een zijstraat van de Josef Korüth, een belangrijke route die dwars door het centrum van Pest, de rechteroever van de Donau raast. Misschien suggereert eenvoudig een kwalificatie die aan minimale basisvoorwaarden voldoet. Maar dat deed deze allerminst. De kledingkast als metafoor.





Maar het kleine ongerief dat dit met zich meebracht woog zeker niet op tegen het plezier dat de wonderlijke huisbaas Atilla me dagelijks verschafte. Daarnaast was het in Scessionstijl gebouwd appartement van vier etages, zonder lift, fraai verloederd en het treurig ogend kale volkscafé twee deuren verder op, waar dagelijks hipsters, studenten en locals elkaar treffen droegen ook bij aan het aangenaam verblijf daar.

De morgen van de tweede dag werd ik om half acht wakker. Licht gesnotter bleek een bloedneus. Met slechts de onderbroek aan zette ik me op de rand van het bed, plaatste de prullenbak tussen mijn voeten, drukte met een zakdoekje de bron stevig dicht en zocht op mijn mobiel wat te doen bij hinder als deze. Het klonk nogal alarmerend, maar het verontrustte me allerminst: Dichtdrukken hoog tegen het neusbeen. Indien binnen tien minuten niet gestelpt dan wendt u zich onmiddellijk tot uw huisarts.Het was een suggestie waar ik voorlopig mee uit de voeten kon. 

Ik tikte op de app van NPO-Radio 1 en luisterde ter verstrooiing naar het verse nieuws uit het verre Nederland. Daarbij zag ik de plastic zak in de prullenbak druppelsgewijs verkleuren. Mijn zakdoekjes waren er rap doorheen gejast. Ja, dat wil wel. Toevallig was de avond ervoor mijn oog gevallen op een openstaande kast op de overloop waarin een grote hoeveelheid keukenrollen in gezinsverpakking. Daar ging ik op af. Daar scharrelde ik, in die kast, in alle vroegte, in onderbroek, met die bloedneus, terwijl een Chinese jongedame me passeerde. Ze had de avond ervoor in het naastgelegen appartement haar intrek genomen. Zorgelijk vroeg ze wat er aan de hand was om zich vervolgens over mij te ontfermen. Olivia, zoals ze zich voordeed, schatte de situatie in. Wat te doen? Wie te bellen? Atilla was snel ter plekke. En daar stonden we, met ons drieën, een Hongaar, een Chinese en een Hollander. Het bloed verkoos zo langzamerhand ook de weg naar naar het andere neusgat. Van kwaad tot erger.

Atilla had contact genomen met Pérfy Kóház Országos Traumatológiai Intézte. Een hele mondvol voor een klein ziekenhuis. De ambulance was met enige spoed onze richting gesneld. Omdat ik mijn neus niet zo maar zijn gang kon laten gaan hielp Olivia me bij het aankleden: broek, hemd, overhemd, sokken en schoenen. Met een subtiele knik naar mijn gulp gaf ze Atilla te kennen de vier knopen ervan te sluiten. Het verliep allemaal als vanzelf.

Binnen de kortste keren stonden twee in fluorescerend rood geüniformeerde mannen van de ambulancedienst in mijn kamer. Het protocol vereist dat men eerst de bloeddruk van de patiënt opneemt. Deze bleek 170/90. Extreem hoog. Dat mag duidelijk zijn. Een royaal uitgevallen tampon werd horizontaal onder mijn neus aangebracht waarna de rit naar het ziekenhuis kon beginnen. Op dat moment stopte het bloeden. Een wonderlijk verband. We liepen de eenentachtig treden naar beneden. Van de volledige breedte van het trottoir had de ziekenwagen bezit genomen. Een Ford Transit. Op de achterkant lezen we de wervende tekst International Van of the Year 2007. Een soort garantie voor veilig vervoer. Het stelde gerust.


Wanneer we inzoomen op de rechter achterruit, dan zien we de contouren van het hoofd van de patiënt met tampon. Atilla en ik werden vastgesnoerd op de bankjes naast de houten brancard. En daar gingen we.

De rit nam wat tijd, dwars door het hart van de enerverende stad. Gelet de ernst van de medische situatie waarin de patiënt verkeerde sjeesde de ambulance zonder alarm door het verkeer. Uiteindelijk arriveerden we bij Péterfy Kórház. Eenmaal in een dergelijke omgeving ben je onmiddellijk hulpbehoevend patiënt en word je als zodanig professioneel bejegend. Vandaar die rolstoel die klaar stond om me vanuit de Ford naar de afdeling die men mij had toebedacht te transporteren. De meneer die verantwoordelijk is voor het duwen van rolstoelen trek je een lange, mooi gestreken witte broek aan met bijpassende witte jas. Dan krijgt zijn functie meteen een medische. Ik zou nog een uur of wat met de rolstoelman te maken krijgen. Wanneer ik zelf de voetensteuntjes naar binnen of naar buiten wilde klappen om in of uit de rolstoel te stappen schoot hij toe.Voetensteuntjes, die behoren tot zijn werkzaamheden.

Nadat hij zich ervan had vergewist dat ik in goede handen was vertrok Atilla. Andere zaken hadden zijn aandacht.

De afdeling waar ik op belandde zat in een verhuizing naar een gebouw elders op het ziekenhuisterrein. Deze operatie was op een oor na gevild. Mijn intake op de kamer van de specialist getuigde van een rommeligheid en wanorde die een verhuizing als deze kennelijk met zich meebrengt.


Maar ruimte om mijn bloeddruk nog maar weer eens op te nemen was er voldoende. Het gaf te denken: 167/108. Zorgelijke waarden! De verantwoordelijke arts drukte me dan ook een bloeddrukverlagend pilletje tussen de tanden en bij gebrek aan enige kennis van een andere taal dan haar Hongaars, demonstreerde ze me deze tussen mijn voortanden te vermorzelen. Het ging me vlot af. Vervolgens nam ze drie bloedmonsters af die door het laboratorium van het ziekenhuis zouden worden onderzocht. Daarnaast werd een ECG-scan afgenomen. Het was allemaal in een vloek en een zucht gedaan. Een bezoek aan de KNO-arts volgde. En daar was hij weer, de rolstoelman. Hij schoof me routinematig in zijn vierwieler, de voetensteuntjes klapte hij naar beneden en hij leverde me, via de rammelende en soms haperende lift, af bij de KNO-afdeling.

In een breedte van minstens vijftig meter zag ik een blinde, witte wand van paneeldeuren, waarachter, om en om, een loket voor de specifieke intake en rechts daarvan de toegang tot de behandelkamer ervan. De rolstoelman wendde zich tot het KNO-loket. Een dame schoof het open om hem, feitelijk mij, te woord te staan.


Ik kon meteen naar binnen.

Het was een warme dag. Kondá, de jonge KNO-arts liep er zomers bij, evenals zijn assistente. Het weer gaf daartoe aanleiding. Mijn summier dossier had hij bekeken. Alvorens tot enig handelen over te gaan vroeg hij of ik cash bij me had. Nee, dat had ik niet, maar wel drie creditcards en de Internationale Zorgpas. Desondanks deelde hij me nadrukkelijk mee dat er op het ziekenhuisterrein een geldautomaat aanwezig was. Onmiddellijk gingen mijn gedachten naar de praktijk van de parallelle economie van vóór 1989. Maar ach, al snel stapte Kondá van dit financieel gedoe af. Met onwillige honden is het kwaad kersen eten zal hij gedacht hebben. Hij dirigeerde me de behandelstoel in, haalde zijn neus even op over de volle lengte van zijn rechterarm en liet zich vervolgens een wit mondkapje en een groene operatieschort door zijn assistente aanbrengen. Met een loupebril op zijn hoofd poetste hij zorgvuldig mijn neus schoon om daarna vast te stellen geen verklaring te hebben voor die acute bloedneus. Hij ontdeed zich van zijn beroepsmatige attributen, zette zich achter zijn bureau waar de assistente hem een document voorschoof dat ze onderaan, met een ferme klap, stempelde. Geroutineerd bracht hij zijn signatuur er op aan. Dan een ander exemplaar. Ook deze verdiende Kondá’s krabbel. Daarmee zat mijn bezoek aan de KNO-afdeling er op.De rolstoelman nam de regie weer over. Terug naar mijn afdeling. Wachten op de resultaten van het bloedonderzoek.

De verhuizing had inmiddels zijn volle vaart genomen. Van de toiletten hadden de handdoeken, zeep en wc-papier hun nieuwe bestemming al gevonden, terwijl een verwarde patiënt, slechts gekleed in pyjamajas en volle luier, mij passeerde. Een ontluisterend tafereel. Een andere patiënt werd aan de overkant van mijn tafel door verwanten verwend met een tros witte druiven en een hoognodige scheerbeurt. Een elektrisch apparaat deed het voorwerk. Voor de finesse had men drie gebruikte mesjes meegenomen. Deze werden zorgvuldig geïnspecteerd op de juiste scherpte. Dit soort waarnemingen doe je wanneer wachten en verveling slechts resteren. Verveling moet je doden.

Een passerende arts klampte ik vast met de vraag hoe lang de uitslag van het bloedonderzoek nog op zich zou kunnen laten wachten. We waren immers al een uur of vier verder. Mijn dagelijkse hygiënische routine na het opstaan was die ochtend er vanzelfsprekend bij ingeschoten, evenals het ontbijt. Ze nam kennis van deze mededelingen. Al gauw stond er een plastic karaf met gezoete, slappe thee voor me, evenals een bakseltje plus waterige soep waarin blokjes wortel en kool beeld- maar niet smaakbepalend waren.



Maar dan. Ineens waren ze daar, rond half drie, de uitslagen van het laboratorium. Alle deugden. Geen enkele aanleiding tot verdere zorg. Met dit gegeven kon ik Pérfy Kóház onmiddellijk verlaten. Het zojuist voorgeschotelde eten liet ik voor wat het was.

Uiteindelijk kwam er geen enkele betaling aan te pas. Optimale gezondheidszorg in de beste socialistische traditie. Ik dankte het medisch team, vooral ook de rolstoelman, voor de aandacht die men op deze idiote dag aan mij had besteed.

Al gauw werd het avond, maar de dag was nog lang niet voorbij.




zondag 23 september 2018

Martenshoek





Daar ging ik op af, op een uitnodiging voor een vernissage in galerie Werfkade 16 in Hoogezand. Vanaf Groningen Europapark nam ik de trein. Ik koos voor de rechter rijrichting. De bankjes links reden achteruit. Het was een verrassende rit van hooguit een kwartier. Zo kort die was, deze wist me veel te bieden: schrale weilanden, droge sloten en de vogels die dit soort territoria verkiezen. Het kon niet op.

Al gauw was ik daar, in Hoogezand. De trein stopte bij station Martenshoek. Ja, de galeriehouder liet zich ooit die naam ontvallen. Maar was dit wel het station van mijn bestemming? Nog nooit was ik in Hoogezand. De jongedame achter me adviseerde me uit te stappen bij station Hoogezand-Sappemeer. Waarom, dat was me volstrekt onduidelijk. Toch nam ik haar suggestie voetstoots ter harte. Uiteindelijk bleek het een station te ver. De Werfkade was toch maar weer een flink halfuur terug wandelen.

De opening van de expositie, die de naam Fool´s Paradise droeg en die nogal wat plaatselijke kunstminnaars op de been bracht, werd verricht door wethouder Verschuren. Zijn mooie woorden getuigden van affiniteit met cultuur, zeker met die waarmee hij in zijn gemeente Midden Groningen zoal mee wordt geconfronteerd. Maar goed, al gauw had de wethouder de expositie voor geopend verklaard.

Over het gepresenteerde, daar had ik zo mijn gedachten, misschien wel mijn bedenkingen. Fantasierijk, zowel verbeelding als naamgeving, tekende ik met enig cynisme in het gastenboek op. En met de titel van haar expositie zat kunstenares Susan Baxter er zeker niet naast.

Bij mijn vertrek zette de galeriehouder me in klare taal uiteen hoe ik vanaf daar eenvoudig station Martenshoek zou bereiken: rechtsaf, dan een grasveldje, dat verleidt naar links maar daar vooral wél naar rechts, dan een Kruidvat aan de rechterkant. Maar eenmaal daar was ik de draad volledig kwijt.

Twee kleurrijk geklede meiden, twintigers, liepen me tegemoet, beiden getooid met een hoofddoek die er mocht wezen, strak gespannen om hun ronde, vrolijke hoofd. Een andere wereld dan de mijne, maar misschien wisten ze me wel de kortste weg naar station Martenshoek te vertellen.

Dat wisten ze. Als de besten.

‘Daar!‘ wijzend naar waar ze vandaan kwamen. ‘We lopen mee.’

'Maar jullie moeten toch de andere kant op,' meende ik te constateren.

'Ja, lopen met u mee. Niet goed Nederlands praten.'

Duidelijke taal. Maar ach, het was een wandeling van niks. Al gauw wezen ze me bij een rotonde naar links: ‘Daar Martenshoek.’



Zo kort de wandeling, zo openhartig de conversatie-in-steekwoorden. Deze deed er toe.

Anderhalf jaar geleden gevlucht uit geteisterd Syrië. Beland in Hoogezand. Ik vroeg naar hun toekomst. Die ligt hier. In Nederland. Hun opgewektheid en stralende lach getuigden van humor en geluk. Van het goede leven dat ze hier troffen. De een gaf te kennen aan de RUG te gaan studeren. Tandkunde, zoals ze het kernachtig verwoordde. De ander had genoeg ideeën, maar ze was er nog niet uit.

Een toevallige ontmoeting van hooguit vier minuten met twee jonge moslima’s. Meiden van nu. Vrouwen van de toekomst. Met een hartelijke hand op beider schouder bedankte ik ze voor de duidelijke uitleg. 

En zo scheidden onze wegen zich weer snel. 

Zo verloopt een en ander terloops in Hoogezand. Xenofoob Blok moest eens weten.





vrijdag 15 juni 2018

Ter sprake


Het is alweer meer dan een jaar geleden dat ik het vrolijke leven in Huis de Beurs liet voor wat het was. Tijdens dat werk legden de gasten me nogal eens vreemde vragen voor. Ook wisten deze me te confronteren met merkwaardige bestellingen en dito mededelingen. De wenkbrauwen fronsten en de oren klapperden, maar dat wist ik beleefdheidshalve perfect te verbergen. Zo onnozel deze waren, die knullige kwalificatie past dit alles maar al te goed.
Ondenkbaar, verrassend en ontwapenend. 




     Joost Doornik, Huis de Beurs, olieverf op doek, 2001.




Daar gaan we!



1.
 ‘Mag ik van u een uitsmijter kaas? Nee, ik bedoel ham’.

2.
‘Dit kopje is waarschijnlijk van een ander’.

3.
‘Ik weet niet wat ik moet drinken, want er staat niets op de kaart.’

4.
‘Oh, het is een draaideur.’

5.
‘Heeft u de kaart al geraadpleegd?’
‘Nee, want mijn zus zit op het toilet.’

6.
‘Ik weet het nog niet, maar doet u me maar een sinaasappelsap.’

7.
‘Neem jij óók koffie?’
‘Nee, Bockbier.’
‘Ik thee.’

8.
De dame: ‘Mag ik een glas zoete wijn van u?!’
De heer: ‘Mevrouw bedoelt een droge’.

9.
‘Ze hebben ook appelgebak. Wil jij?’
‘Nee.’
‘Nee, ik ook niet.’

10.
‘Heeft u ook bitter lemon?’
‘Jazeker!’
‘Ja, maar het staat niet op de kaart.’
‘Maar we hebben het wel degelijk!’
‘Doet u me toch maar een witte wijn; een droge.’

11.
‘Heeft u een kaart om te eten?’

12.
‘Wat kost koffie?’
‘Slechts € 2,10.’
‘Doet u maar.’

13.
‘Voor wie is de meerval?’
‘Voor mijn vriendin. En voor mij de vis.’

14.
‘Ik geloof dat ik een cappuccino wil.’


   Marcel Duran, Buffet Huis de Beurs, houtskoolschets, 2004.

15.
'Wat hebben jullie?'

16.
‘Ik denk dat we alle twee koffie willen.’

17.
‘Wat is de dagsoep?’
‘Asperge.’
‘Waar staat dat?’

18.
‘Mag ik een glas wijn van u?’

19.
‘Er zat geen bacon bij mijn geitenkaas.’
‘Misschien dat die onder op zat?’
‘Nee, maar het geeft niet, want ik ben vegetarisch.’

20.
‘Heeft u ook bockbier?’
‘Nee, die is net op.’
‘Doet u dan maar koffie.’

21.
‘Ik wacht even op mijn stiefbroer.’

22.
‘Heeft u ook saucijzenbroodjes?’
‘Nee, maar wel van alles anders.’
‘Doet u me dan maar een cappuccino.’

24.
‘Ik neem een witte wijn. En jij?’
‘Een tomatensap.’
‘Nu al?’

25.
‘Ik denk dat we nog even willen kijken.’

26.
‘Heeft u een Spa rood of zoiets en een appelsap of zoiets?’

27.
‘Heeft u een broodje voor me?’

28.
‘Als ik ga zitten, kan ik dan bestellen, meneer?’


29.
‘Doet u mij maar een vol glas rode wijn.’




    Joost Doornik, Terras Huis de Beurs, A-Kerkhof, olieverf op doek, 2003.



30.
Een dame op het terras: ‘De toiletten, die zijn binnen?’

31.
‘Mag ik van u een koffie. Nee, doet u maar een biertje.’

32.
‘Meneer, we zijn er uit: twee warme chocomel.’

33.
‘Doet u mij maar een omelet met kaas en ei.’

34.
'Graag een tosti kaas. Zonder ham.'

35.
'Mag ik even wachten, want ik wacht op iemand.'

36.
'Ik weet niet of ik wel een borrel lust.'

37.
‘Heeft u een grote fles Sprite?’
‘Nee, maar wel een liter Spa Rood of Spa blauw.’
‘Nee, dan doet u mij maar een ice -tea.’
‘En voor mij een biertje.’

38.
'Ik neem een uitsmijter ham. Met bruin brood.'
De tafelgenoot:
'Voor mij het zelfde, maar dan met kaas en wit brood.'

39.
Een heer bij het afrekenen:
‘Uw collega heeft me niet gevraagd of ik wit of bruin brood bij de uitsmijter wenste.’

40.
Twee dames:
‘Mag ik een cappuccino van u?’
‘Ja, doet u mij ook maar.’
‘Nee, doet u toch maar een café-au-lait.’
‘Ja, ook voor mij.’




    Frits Casparie, Huis de Beurs, Marktlui op woensdagmorgen, linosnede, 2007.



41.
‘Ik wil wel een wijntje.’
‘Wat voor wijntje?’
‘Dat weet ik niet.’

42.
Wanneer ik meneer zijn bestelde uitsmijter ham/kaas serveer vraagt hij:
‘Heeft u een lepel voor me?’
‘Uw vraag intrigeert me, maar de lepel komt er aan.’

43.
‘Heeft u ook een toilet?’

44.
‘Heeft u voor mij een preisoep?’
‘De dagsoep is nu paprika.’
‘Doet u dan maar een uitsmijter met ham en kaas.’

45.
‘Heeft u ook glutenvrij?’
‘Dat weet u beter dan ik.’

46.
‘Dag dame.’
‘Om 12.00 uur komt er iemand anders.’

47.
‘Heeft u ook gebak?’
‘Jazeker: appel, brownie en boerenjongens.’
‘Doe maar een portie bitterballen.’

48.
Antwoord op de vraag wat men wil gebruiken:
‘Er zit nog iemand op het toilet.’

49.
‘Ik neem een koffie verkeerd.’
‘En ik een café-au-lait.’




      Malie Baehr, Buffet Huis de Beurs, olieverf op doek, 2003.



50.
Wijzend naar tafel 8 constateert de man binnensmonds mompelend: ‘De man die daar altijd zit, die zit er niet.’
‘Nee, daar zitten nu twee dames,’ constateer ik.

51.
‘Doe maar een flesje bier.’

52.
‘Kan ik gaan zitten?’

53.
Knikkend naar de lege stoel tegenover haar: ‘Ik wacht even tot zij er is.’

54.
‘Mag ik van u een tosti Toscane.’
‘En voor mij dezelfde.’
‘Of zal ik u een andere doen?’

55.
Een passante: ‘Mag ik hier even gebruik maken van de wc dat ik daar eventueel voor betaal?’

56.
Op het terras:
‘Mag ik u vragen: waar komt de wind vandaan?’

57.
‘Een spaatje rood met bubbels graag.’

58.
‘Wil jij ook nog wat?’
‘Nee, ja, koffie, cappuccino.’

59.
‘Wilt u de uitsmijter met wit brood?’
‘Hebt u ook bruin?’




     Marcel Duran, Leestafel Huis de Beurs, houtskoolschets, 2006.



60.
‘Oh, is er bediening buiten?’

61.
Twee wat oudere dames:
‘We nemen beiden een tomatensoep. En voor mij ook een glaasje karnemelk.’
‘Dat lijkt me niks’, stelt de andere.

62.
‘Een cappuccino en een Rivella, hoeveel is dat samen?’
‘6,60’, bereken ik vlot.
 ‘Nee, doe dan alleen maar een Rivella.’
‘Nee, samen is het € 5,50.’corrigeer ik me.
‘Ja, doe dan maar beide.’


63.
‘U heeft twee kroketten besteld?’
‘Ja, voor mijn pleegzoon.’

64.
‘Heeft u ook een broodje kroket of zoiets?’

65.
‘Mogen we twee jus d’oranges?’
‘Nee, ik neem een droge witte wijn.’
‘Dan neem ik een Rivella.’

66.
‘We zijn nog bezig.’

67.
‘Wat is de soep van de dag?’
‘Een bijzondere!’
‘Doe maar.’

68.
‘Heeft u ook een stukje kruidkoek of zo, want u was zo snel weg.’

69.
‘Meneer, kunnen we bij de kassa betalen?’

70.
‘Ik wacht nog even op een metgezel.’




       Herman van Hoogdalem, Café De Beurs, aquarel, 2003.

71.
‘Zit er ook ham in die vegetarische spinaziequiche?’

72.
‘We willen graag koffie. Heeft u ook sojamelk?’
‘Nee, alleen echte melk.’
‘Dan neem ik een muntthee.’
‘Ik ook.’

73.
Vragend naar de soepballetjes in de tomatensoep vraagt de dame:
‘Uit blik?’
‘Geen idee,’ is mijn idee.
‘Dan maar twee champignonsoep.’

74.
‘We hebben nog niet gezien wat we willen.’




    Frits Casparie, Ontmoeting in Huis de Beurs, linosnede, 2008.


75.
De heer betaalt zijn cappuccino: € 2,90. Bij het overhandigen van een twintig-eurobiljet verontschuldigt hij zich: ‘Ik heb helaas niet anders.’

76.
‘Heeft u ook een boekje waar wat in staat?’

77.
‘Is hier een toilet ergens?’

78.
Om 8.45 uur loop ik naar de voordeur en open deze. Daarvoor staat een man en vraagt: ‘Bent u al open?’

79.
De biologische kaasboer veroorloofde zich een vrije dag. Met een vriendin zat hij urenlang op het terras. Na het afrekenen vroeg ik hem belangstellend wat de rest van de dag hem zou brengen: ‘Een geit uitbenen. Dat is mooi werk.’

80.
‘Ik neem twee kroketjes met brood.’
De collega: ‘Maar je hebt toch geen nachtdienst gehad.’

81.
‘Mogen we wat eten?’

82.
‘Mag ik een coffee to go meenemen?’

83.
‘Een tosti graag.’
‘Wat voor tosti?’
‘Weet ik niet.’

84.
‘Ik wacht op m’n ex.’

85.
‘Mogen we een tosti?’
‘Ham en kaas?’
‘Kan die ham er af?’
‘Mevrouw, dan doen we die er niet op.’

86.
‘Graag een kopje thee, of zo.’

87.
‘Heeft u ook iets van een kaart?’
‘Mevrouw, ik geef u een compleet exemplaar.’

88.
‘Een koffie graag. Nee, doe maar een biertje.’

89.
‘Wij wachten op mensen.’

90.
‘Ik denk dat ik een cappuccino neem.’
‘Dan verneem ik wel wanneer deze gedachte een definitieve wens geworden is.’

91.
Een dame komt afrekenen bij de kassa. Ze zat niet in mijn wijk. Mijn vraag dan ook:
‘Waar heeft u gezeten?’
Ze wijst en zegt: ‘We zaten daar waar zij staat.’

92.
‘Ik zat te denken aan de paddenstoelen-risotto.’
‘Dus daar zat u aan te denken!’

93.
‘Goede middag. Wat mag het zijn?’
‘Wat is uw wachtwoord? ‘

94.
‘Kunnen we hier iets drinken?’

95.
‘Mag ik van u een droge, witte wijn.’
De tafelgenoot:
‘Ja, en doet u mij maar een gewone.’

96.
‘Voor mij een Spa Rood, eh, ik bedoel Blauw.’

97.
‘Iets te eten graag.’

98.
‘Kan ik bij u een thee bestellen?’
‘Natuurlijk. Bestelt u maar.’


99.
Moeder en zoon.
De moeder: ‘Graag een koffie.’
De zoon: ‘In het kwadraat.’
Ik: ‘Kortom, één koffie.’




    Joost Doornik, Huis de Beurs, olieverf op doek, 1999.



Huis de Beurs: voorwaar een waar verhaal.