zondag 23 september 2018

Martenshoek





Daar ging ik op af, op een uitnodiging voor een vernissage in galerie Werfkade 16 in Hoogezand. Vanaf Groningen Europapark nam ik de trein. Ik koos voor de rechter rijrichting. De bankjes links reden achteruit. Het was een verrassende rit van hooguit een kwartier. Zo kort die was, deze wist me veel te bieden: schrale weilanden, droge sloten en de vogels die dit soort territoria verkiezen. Het kon niet op.

Al gauw was ik daar, in Hoogezand. De trein stopte bij station Martenshoek. Ja, de galeriehouder liet zich ooit die naam ontvallen. Maar was dit wel het station van mijn bestemming? Nog nooit was ik in Hoogezand. De jongedame achter me adviseerde me uit te stappen bij station Hoogezand-Sappemeer. Waarom, dat was me volstrekt onduidelijk. Toch nam ik haar suggestie voetstoots ter harte. Uiteindelijk bleek het een station te ver. De Werfkade was toch maar weer een flink halfuur terug wandelen.

De opening van de expositie, die de naam Fool´s Paradise droeg en die nogal wat plaatselijke kunstminnaars op de been bracht, werd verricht door wethouder Verschuren. Zijn mooie woorden getuigden van affiniteit met cultuur, zeker met die waarmee hij in zijn gemeente Midden Groningen zoal mee wordt geconfronteerd. Maar goed, al gauw had de wethouder de expositie voor geopend verklaard.

Over het gepresenteerde, daar had ik zo mijn gedachten, misschien wel mijn bedenkingen. Fantasierijk, zowel verbeelding als naamgeving, tekende ik met enig cynisme in het gastenboek op. En met de titel van haar expositie zat kunstenares Susan Baxter er zeker niet naast.

Bij mijn vertrek zette de galeriehouder me in klare taal uiteen hoe ik vanaf daar eenvoudig station Martenshoek zou bereiken: rechtsaf, dan een grasveldje, dat verleidt naar links maar daar vooral wél naar rechts, dan een Kruidvat aan de rechterkant. Maar eenmaal daar was ik de draad volledig kwijt.

Twee kleurrijk geklede meiden, twintigers, liepen me tegemoet, beiden getooid met een hoofddoek die er mocht wezen, strak gespannen om hun ronde, vrolijke hoofd. Een andere wereld dan de mijne, maar misschien wisten ze me wel de kortste weg naar station Martenshoek te vertellen.

Dat wisten ze. Als de besten.

‘Daar!‘ wijzend naar waar ze vandaan kwamen. ‘We lopen mee.’

'Maar jullie moeten toch de andere kant op,' meende ik te constateren.

'Ja, lopen met u mee. Niet goed Nederlands praten.'

Duidelijke taal. Maar ach, het was een wandeling van niks. Al gauw wezen ze me bij een rotonde naar links: ‘Daar Martenshoek.’



Zo kort de wandeling, zo openhartig de conversatie-in-steekwoorden. Deze deed er toe.

Anderhalf jaar geleden gevlucht uit geteisterd Syrië. Beland in Hoogezand. Ik vroeg naar hun toekomst. Die ligt hier. In Nederland. Hun opgewektheid en stralende lach getuigden van humor en geluk. Van het goede leven dat ze hier troffen. De een gaf te kennen aan de RUG te gaan studeren. Tandkunde, zoals ze het kernachtig verwoordde. De ander had genoeg ideeën, maar ze was er nog niet uit.

Een toevallige ontmoeting van hooguit vier minuten met twee jonge moslima’s. Meiden van nu. Vrouwen van de toekomst. Met een hartelijke hand op beider schouder bedankte ik ze voor de duidelijke uitleg. 

En zo scheidden onze wegen zich weer snel. 

Zo verloopt een en ander terloops in Hoogezand. Xenofoob Blok moest eens weten.





vrijdag 15 juni 2018

Ter sprake


Het is alweer meer dan een jaar geleden dat ik het vrolijke leven in Huis de Beurs liet voor wat het was. Tijdens dat werk legden de gasten me nogal eens vreemde vragen voor. Ook wisten deze me te confronteren met merkwaardige bestellingen en dito mededelingen. De wenkbrauwen fronsten en de oren klapperden, maar dat wist ik beleefdheidshalve perfect te verbergen. Zo onnozel deze waren, die knullige kwalificatie past dit alles maar al te goed.
Ondenkbaar, verrassend en ontwapenend. 




     Joost Doornik, Huis de Beurs, olieverf op doek, 2001.




Daar gaan we!



1.
 ‘Mag ik van u een uitsmijter kaas? Nee, ik bedoel ham’.

2.
‘Dit kopje is waarschijnlijk van een ander’.

3.
‘Ik weet niet wat ik moet drinken, want er staat niets op de kaart.’

4.
‘Oh, het is een draaideur.’

5.
‘Heeft u de kaart al geraadpleegd?’
‘Nee, want mijn zus zit op het toilet.’

6.
‘Ik weet het nog niet, maar doet u me maar een sinaasappelsap.’

7.
‘Neem jij óók koffie?’
‘Nee, Bockbier.’
‘Ik thee.’

8.
De dame: ‘Mag ik een glas zoete wijn van u?!’
De heer: ‘Mevrouw bedoelt een droge’.

9.
‘Ze hebben ook appelgebak. Wil jij?’
‘Nee.’
‘Nee, ik ook niet.’

10.
‘Heeft u ook bitter lemon?’
‘Jazeker!’
‘Ja, maar het staat niet op de kaart.’
‘Maar we hebben het wel degelijk!’
‘Doet u me toch maar een witte wijn; een droge.’

11.
‘Heeft u een kaart om te eten?’

12.
‘Wat kost koffie?’
‘Slechts € 2,10.’
‘Doet u maar.’

13.
‘Voor wie is de meerval?’
‘Voor mijn vriendin. En voor mij de vis.’

14.
‘Ik geloof dat ik een cappuccino wil.’


   Marcel Duran, Buffet Huis de Beurs, houtskoolschets, 2004.

15.
'Wat hebben jullie?'

16.
‘Ik denk dat we alle twee koffie willen.’

17.
‘Wat is de dagsoep?’
‘Asperge.’
‘Waar staat dat?’

18.
‘Mag ik een glas wijn van u?’

19.
‘Er zat geen bacon bij mijn geitenkaas.’
‘Misschien dat die onder op zat?’
‘Nee, maar het geeft niet, want ik ben vegetarisch.’

20.
‘Heeft u ook bockbier?’
‘Nee, die is net op.’
‘Doet u dan maar koffie.’

21.
‘Ik wacht even op mijn stiefbroer.’

22.
‘Heeft u ook saucijzenbroodjes?’
‘Nee, maar wel van alles anders.’
‘Doet u me dan maar een cappuccino.’

24.
‘Ik neem een witte wijn. En jij?’
‘Een tomatensap.’
‘Nu al?’

25.
‘Ik denk dat we nog even willen kijken.’

26.
‘Heeft u een Spa rood of zoiets en een appelsap of zoiets?’

27.
‘Heeft u een broodje voor me?’

28.
‘Als ik ga zitten, kan ik dan bestellen, meneer?’


29.
‘Doet u mij maar een vol glas rode wijn.’




    Joost Doornik, Terras Huis de Beurs, A-Kerkhof, olieverf op doek, 2003.



30.
Een dame op het terras: ‘De toiletten, die zijn binnen?’

31.
‘Mag ik van u een koffie. Nee, doet u maar een biertje.’

32.
‘Meneer, we zijn er uit: twee warme chocomel.’

33.
‘Doet u mij maar een omelet met kaas en ei.’

34.
'Graag een tosti kaas. Zonder ham.'

35.
'Mag ik even wachten, want ik wacht op iemand.'

36.
'Ik weet niet of ik wel een borrel lust.'

37.
‘Heeft u een grote fles Sprite?’
‘Nee, maar wel een liter Spa Rood of Spa blauw.’
‘Nee, dan doet u mij maar een ice -tea.’
‘En voor mij een biertje.’

38.
'Ik neem een uitsmijter ham. Met bruin brood.'
De tafelgenoot:
'Voor mij het zelfde, maar dan met kaas en wit brood.'

39.
Een heer bij het afrekenen:
‘Uw collega heeft me niet gevraagd of ik wit of bruin brood bij de uitsmijter wenste.’

40.
Twee dames:
‘Mag ik een cappuccino van u?’
‘Ja, doet u mij ook maar.’
‘Nee, doet u toch maar een café-au-lait.’
‘Ja, ook voor mij.’




    Frits Casparie, Huis de Beurs, Marktlui op woensdagmorgen, linosnede, 2007.



41.
‘Ik wil wel een wijntje.’
‘Wat voor wijntje?’
‘Dat weet ik niet.’

42.
Wanneer ik meneer zijn bestelde uitsmijter ham/kaas serveer vraagt hij:
‘Heeft u een lepel voor me?’
‘Uw vraag intrigeert me, maar de lepel komt er aan.’

43.
‘Heeft u ook een toilet?’

44.
‘Heeft u voor mij een preisoep?’
‘De dagsoep is nu paprika.’
‘Doet u dan maar een uitsmijter met ham en kaas.’

45.
‘Heeft u ook glutenvrij?’
‘Dat weet u beter dan ik.’

46.
‘Dag dame.’
‘Om 12.00 uur komt er iemand anders.’

47.
‘Heeft u ook gebak?’
‘Jazeker: appel, brownie en boerenjongens.’
‘Doe maar een portie bitterballen.’

48.
Antwoord op de vraag wat men wil gebruiken:
‘Er zit nog iemand op het toilet.’

49.
‘Ik neem een koffie verkeerd.’
‘En ik een café-au-lait.’




      Malie Baehr, Buffet Huis de Beurs, olieverf op doek, 2003.



50.
Wijzend naar tafel 8 constateert de man binnensmonds mompelend: ‘De man die daar altijd zit, die zit er niet.’
‘Nee, daar zitten nu twee dames,’ constateer ik.

51.
‘Doe maar een flesje bier.’

52.
‘Kan ik gaan zitten?’

53.
Knikkend naar de lege stoel tegenover haar: ‘Ik wacht even tot zij er is.’

54.
‘Mag ik van u een tosti Toscane.’
‘En voor mij dezelfde.’
‘Of zal ik u een andere doen?’

55.
Een passante: ‘Mag ik hier even gebruik maken van de wc dat ik daar eventueel voor betaal?’

56.
Op het terras:
‘Mag ik u vragen: waar komt de wind vandaan?’

57.
‘Een spaatje rood met bubbels graag.’

58.
‘Wil jij ook nog wat?’
‘Nee, ja, koffie, cappuccino.’

59.
‘Wilt u de uitsmijter met wit brood?’
‘Hebt u ook bruin?’




     Marcel Duran, Leestafel Huis de Beurs, houtskoolschets, 2006.



60.
‘Oh, is er bediening buiten?’

61.
Twee wat oudere dames:
‘We nemen beiden een tomatensoep. En voor mij ook een glaasje karnemelk.’
‘Dat lijkt me niks’, stelt de andere.

62.
‘Een cappuccino en een Rivella, hoeveel is dat samen?’
‘6,60’, bereken ik vlot.
 ‘Nee, doe dan alleen maar een Rivella.’
‘Nee, samen is het € 5,50.’corrigeer ik me.
‘Ja, doe dan maar beide.’


63.
‘U heeft twee kroketten besteld?’
‘Ja, voor mijn pleegzoon.’

64.
‘Heeft u ook een broodje kroket of zoiets?’

65.
‘Mogen we twee jus d’oranges?’
‘Nee, ik neem een droge witte wijn.’
‘Dan neem ik een Rivella.’

66.
‘We zijn nog bezig.’

67.
‘Wat is de soep van de dag?’
‘Een bijzondere!’
‘Doe maar.’

68.
‘Heeft u ook een stukje kruidkoek of zo, want u was zo snel weg.’

69.
‘Meneer, kunnen we bij de kassa betalen?’

70.
‘Ik wacht nog even op een metgezel.’




       Herman van Hoogdalem, Café De Beurs, aquarel, 2003.

71.
‘Zit er ook ham in die vegetarische spinaziequiche?’

72.
‘We willen graag koffie. Heeft u ook sojamelk?’
‘Nee, alleen echte melk.’
‘Dan neem ik een muntthee.’
‘Ik ook.’

73.
Vragend naar de soepballetjes in de tomatensoep vraagt de dame:
‘Uit blik?’
‘Geen idee,’ is mijn idee.
‘Dan maar twee champignonsoep.’

74.
‘We hebben nog niet gezien wat we willen.’




    Frits Casparie, Ontmoeting in Huis de Beurs, linosnede, 2008.


75.
De heer betaalt zijn cappuccino: € 2,90. Bij het overhandigen van een twintig-eurobiljet verontschuldigt hij zich: ‘Ik heb helaas niet anders.’

76.
‘Heeft u ook een boekje waar wat in staat?’

77.
‘Is hier een toilet ergens?’

78.
Om 8.45 uur loop ik naar de voordeur en open deze. Daarvoor staat een man en vraagt: ‘Bent u al open?’

79.
De biologische kaasboer veroorloofde zich een vrije dag. Met een vriendin zat hij urenlang op het terras. Na het afrekenen vroeg ik hem belangstellend wat de rest van de dag hem zou brengen: ‘Een geit uitbenen. Dat is mooi werk.’

80.
‘Ik neem twee kroketjes met brood.’
De collega: ‘Maar je hebt toch geen nachtdienst gehad.’

81.
‘Mogen we wat eten?’

82.
‘Mag ik een coffee to go meenemen?’

83.
‘Een tosti graag.’
‘Wat voor tosti?’
‘Weet ik niet.’

84.
‘Ik wacht op m’n ex.’

85.
‘Mogen we een tosti?’
‘Ham en kaas?’
‘Kan die ham er af?’
‘Mevrouw, dan doen we die er niet op.’

86.
‘Graag een kopje thee, of zo.’

87.
‘Heeft u ook iets van een kaart?’
‘Mevrouw, ik geef u een compleet exemplaar.’

88.
‘Een koffie graag. Nee, doe maar een biertje.’

89.
‘Wij wachten op mensen.’

90.
‘Ik denk dat ik een cappuccino neem.’
‘Dan verneem ik wel wanneer deze gedachte een definitieve wens geworden is.’

91.
Een dame komt afrekenen bij de kassa. Ze zat niet in mijn wijk. Mijn vraag dan ook:
‘Waar heeft u gezeten?’
Ze wijst en zegt: ‘We zaten daar waar zij staat.’

92.
‘Ik zat te denken aan de paddenstoelen-risotto.’
‘Dus daar zat u aan te denken!’

93.
‘Goede middag. Wat mag het zijn?’
‘Wat is uw wachtwoord? ‘

94.
‘Kunnen we hier iets drinken?’

95.
‘Mag ik van u een droge, witte wijn.’
De tafelgenoot:
‘Ja, en doet u mij maar een gewone.’

96.
‘Voor mij een Spa Rood, eh, ik bedoel Blauw.’

97.
‘Iets te eten graag.’

98.
‘Kan ik bij u een thee bestellen?’
‘Natuurlijk. Bestelt u maar.’


99.
Moeder en zoon.
De moeder: ‘Graag een koffie.’
De zoon: ‘In het kwadraat.’
Ik: ‘Kortom, één koffie.’




    Joost Doornik, Huis de Beurs, olieverf op doek, 1999.



Huis de Beurs: voorwaar een waar verhaal.