vrijdag 11 oktober 2019

Zuidelijke Ringweg


Genua? Nee, Groningen.



Het is de langste weg van Nederland, de A7. Deze voert van Amsterdam via de Afsluitdijk naar Nieuweschans. Het is ook de snelste route van Amsterdam naar Hamburg. Gedurende 465 kilometer kan men ongehinderd doorkachelen. Maar wacht, er zit slechts één hindernis in: het Julianaplein in Groningen. Daar reguleert een verouderd verkeerslichtensysteem de doorstroming van het verkeer. Een dergelijk kruispunt is niet meer van deze tijd. 

Sinds vorig jaar wordt er dan ook gewerkt aan een, met een mooi woord, conflictvrije zuidelijke ringweg: ondertunneling, ongelijkvloerse kruisingen en allerlei bypasses. Toe maar! Daarmee verdwijnen in 2024 die vervloekte verkeerslichten. Met een beetje voorspoed misschien wel eerder! 

Momenteel wordt de bestaande weg hapsgewijs weggeknabbeld. Men is flink op stoom. Hinder en overlast vallen de direct omwonenden voortdurend ten deel. Maar goed. Uiteindelijk leidt een en ander tot aangename rust, hogere WOZ-waarden, wat minder stik- en fijnstof en gedeeltelijk herstel van het ooit zo mooie Sterrebos.

We zien hier een van de betonnen pijlers waarop de zuidelijke rijbaan van de ringweg vanaf eind jaren ’70 heeft gelegen. Beton leent zich goed voor graffiti. Het garandeert een zekere bestendigheid van verf en viltstift die er op worden aangebracht. Op de linker pijler zien we de contouren van twee paneeltjes waarin ooit commerciële affiches werden geklemd. Daarop geblokt: DKLM. Aan de zijkant van de rechter pijler lezen we deze intrigerende afkorting ook, maar veel duidelijker aangebracht. Op Google lees ik dat DKLM een advocatenkantoor uit Londen is. Reikt de chaotische Brexit zelfs tot rommelige uitingen op verloren beton in Groningen? Het moet niet gekker worden! 

Fraaier is de tekst op de plek waar het linker paneeltje zich bevond: geen in grote haast aangebrachte graffiti, maar onnavolgbare gedachten, verpakt als gedicht, met zorg geschreven in kapitalen en met afbrekingen die verwonderen.



Goed als dichters zich roeren. Maar wat is de waarde van hun poëzie wanneer ze de weg kwijt zijn?

woensdag 25 september 2019

Kattendiep

In augustus 2017 stond het Holland Casino aan het Kattendiep in Groningen op een mooie zondagmorgen ineens in vuur en vlam. En niet zo'n beetje ook! Enkele uren later was het totaal verwoest. Daarmee was het met het ontwerp van architect Abe Bonnema (1926-2001) definitief gedaan. Het stond er een kleine dertig jaar. Aan de zijde van het Kattendiep zijn schuttingen geplaatst die het zicht op deze averij de mensen moet ontnemen. Daarop zijn ter decoratie grote foto's aangebracht die het verleden verbeelden van dit stukje Groningen. Een ervan is deze:



Tellen geblazen: dertien mannen, nul vrouwen, tien auto's, vier fietswielen, twee parkeermeters en veertien verkeersborden. En dat allemaal op slechts vijfduizend vierkante meter. Het is een idioot straattafereel dat misschien geënsceneerd aandoet, maar het is de bittere waarheid.

Het is een curieuze foto uit 1975 uit de collectie van de Groninger Archieven. Fotograaf onbekend, maar we zien de hand van Frank Straatemeijer. Hij wist de verrassende reuring en de rauwe levendigheid van Stad in de jaren ’70 genadeloos en pakkend te verbeelden.

De korte schaduw van de zon naar het oosten verraadt middagpauze. De mannen lummelen maar wat lamlendig rond. Klerken en kantoorvolk. Ze kijken naar die gast die zojuist met een ferme schop iets wegtrapte. Het getuigt allemaal van een losgeslagen ledigheid. Toch lijkt er sprake van een spel: de twee mannen rechts lijken er deelgenoot van te zijn. Rechts van de mobiele schaftkeet loopt een man uit beeld en links ervan neemt er een een ferme trek van zijn sigaret. Daar weer links van strekt een jongeman zijn beide armen om vervolgens met beide handen te klappen. Welke de prestatie is die kennelijk zijn warm applaus verdient, dat is onduidelijk. Intussen zit een man onderuitgezakt op het trottoir; de schaftkeet als ruggensteun.

We bevinden ons in de analoge wereld. Zonder die tv-antennes op de daken van de huizen, als ze al waren aangesloten, hadden we geen beeld en geluid gehad van wat er in die wonderlijke wereld van toen allemaal aan toeging. En het ging er aan toe zoals we dat hier aan het Kattendiep zien gebeuren.
Zo ongeveer in het midden zien we de tekst GARAGE MODERN tegen de gevel aangebracht. Na zo’n vijfenveertig jaar is deze een door de tijd razendsnel ingehaalde kwalificatie, evenals de praktijk om pompstations, zoals die van ESSO, in de bebouwde omgeving als doodnormaal te vinden. Dan lezen we rechts op die wit geverfde gevel SNIP. De afbeelding boven de deur refereert aan de nering van Snip: groothandel in vis. Met grote trots voerde deze de alom geroemde tekst: SNIP EEN BEGRIP. Mooie middenstandpoëzie. Lastig te evenaren.

Ter zake. Alle aandacht vraagt de 404 die voorbij raast. Is de chauffeur een man of een vrouw. We zien het niet; dus weten we het niet. We laten dit voor wat het is. Dan hoeft dit gegeven niet in de telling te worden meegenomen zoals weergegeven in de eerste alinea. Maar ach, wat zegt ons dat zinloos cijfermatig geturf?

De voorruit van die 404, evenals die van de Renault 4 die daar links geparkeerd staat te staan, zit onder een dikke laag stof. De ruitenwissers hebben hun werk gedaan. Deze laten duidelijk hun sporen na. Saharazand. ’s Zomers is dit een eenvoudig verklaarbaar meteorologisch verschijnsel. Ook toen al!

Die 404 doet shabby aan. Afgeragd. De bumper hangt er slordig bij, de imperiaal is bevestigd aan de dakgootjes, terwijl de auto standaard werd geleverd met vier bevestigingspunten op het dak. Van vernuftig gemak naar dom ongemak. 

1975 was het jaar waarin het definitief gedaan was met de productie van de 404. Dan tref je uiteindelijk dit soort exemplaren op de weg. Deze is van jaren geleden. Dat zien we aan het zwarte kunststof schildje op de grille, waar in het midden ervan de goudkleurige kop en klauwen van een leeuw sieren. Latere bouwjaren moesten het doen met een simpel, nep verguld exemplaar.

Als we de tien auto’s die we hier aantreffen willen benoemen, dan stokt het al gauw bij vijf stuks: die 404, dan een 2CV en een R4, vervolgens een CX en dan een VW Transporter T2. Wie weet welke die andere zijn, die mag het zeggen. Een detailfoto kan daarbij helpen.



Tot slot die parkeermeters. We zien er een alsof deze op het dak van die 404 is gemonteerd. Dan schoof je er een kwartje in, een gulden of een knaak, je gaf de automaat een ferme draai dat met een lekker en plezierig mechanisch geluid gepaard ging en dan was de parkeervergunning voor die specifieke plek for the time being betaald. Op de wijzerplaat ervan liep het metertje in de tijd terug totdat de aangeschafte parkeertijd was bereikt. Simpel, logisch en duidelijk, voor zowel parkeerder als verbalisant.  

Inmiddels zijn we vierenveertig jaar verder:



De dynamiek van een stad brengt de constatering met zich mee dat deze nooit af is. Er is een verleden; geen heden.

zaterdag 4 mei 2019

4 mei



Aan het Akerkhof is het raam van Huis de Beurs omhoog geschoven. Een licht briesje blaast links door de vitrage. Een zomerse dag in 1942. Twee herenrijwielen leunen tegen de smoezelige gevel. De linker heeft een goed gevulde fietstas. De inhoud zal van geen enkele waarde zijn; anders laat je deze niet zo achteloos achter. In die karige oorlogsjaren is immers iedereen in de weer met overleven. Graaien, scharrelen en struinen. Maar ach, beide heren, gezeten aan de stamtafel, houden van achter het potje bier of het kelkje jenever de boel scherp in de gaten.

Met de kwalificatie VOLLEDIGE VERGUNNING aan de gevel geeft de waard royaal te kennen dat hij zijn klandizie alles mag en kan schenken. ‘Vooruit! Kom binnen! Wees welkom!’

Maar wacht. Op het raam links in de hoek heeft hij met drie flinke plakkers een meedogenloze mededeling aangebracht die van zijn gastheerschap niets overlaat: 'Voor Joden verboden.'


Op de rand van het trottoir staat een jongeman in korte broek daar maar wat te staan. Aan het zijgeveltje van het Beurs Theater vergaapt een man zich aan foto’s uit de film die er die week zal worden gedraaid. Adverteren doet begeren. En een wat oudere heer schuifelt met een grote boog om Huis de Beurs. De Jodenster op zijn jas verklaart waarom.

Het is vandaag 4 mei. Dodenherdenking. Twee ogenschijnlijk zo gewone foto’s verbeelden een alledaagsheid waarvan we de tragiek pas naderhand ontwaren.

woensdag 6 maart 2019

Autonoom


In de zomer van 1978 verbleven mijn vriendin van toen en ik van toen een maand of twee aan de west coast van de Verenigde Staten en Mexico. Mooie maanden, dat waren deze.

In San Francisco verplaatsten we ons per Bay Area Rapid Transit, de lokale metro. Tot onze verwondering kwam er geen bestuurder aan te pas. Die functie was geautomatiseerd. Die alledaagsheid van toen is na veertig jaar hier nog steeds toekomstmuziek. Een verwarrend anachronisme.

In Parijs op métrostation Bibliothèque François Mitterrand verbaasde ik me onlangs over de fysieke inrichting ervan: de rails waren aan weerszijden, van perron naar perron, overkoepeld door een halfronde, transparante kunststof tunnel. Arriveert de metro en is deze tot stilstand gekomen, dan openen deuren in die tunnelbuis zich automatisch en wel exact op de posities die corresponderen met de schuifdeuren van het treinstel. Vertrekt deze, dan sluiten de deuren zich weer vanzelf. Geen mens kan hier pardoes, vrijwillig of met kwalijke opzet voor een aanstormende trein zijn leven laten. Wonderlijk. Met grote verbazing bezag ik een en ander vanaf de passage over de sporen.



Knip je deze foto tussen beide treinstellen verticaal door het midden, dan krijg je twee plaatjes die vrijwel identiek zijn. Dat zou je denken. We gaan het zien.

Op treinstel # 15 treffen we het logo van de RATP, op # 01 ontbreekt dit. Ooit er af gefladderd of er langzaam aan er vanaf getrild. Metroritjes zijn geen pretjes. Het eenvoudige logo dateert van 1992 en verbeeldt de contouren van Parijs waar de Seine vanuit het zuiden grillig naar het centrum meandert om dit vanaf daar noordwestelijk weer te verlaten. Een logo is zo sterk als de vanzelfsprekendheid ervan.

Beide treinen rijden hun eigen traject op ligne 14: de linker arriveert en de ander vertrekt. We zien dit aan de piepkleine, zwakke witte en rode verlichting die de rijrichting aangeven. Maar wacht: in #15 zien we geen bestuurder, laat staan een cabine waarin deze geacht wordt zijn werk te doen. De trein blijkt zichzelf te besturen. Deze is autonoom. Taal van tegenwoordig. De passagiers hebben er zichtbaar alle vertrouwen in. Hun kennelijk genoeglijke rust getuigt er van: dom wegdommelen en dom rondkijken voor zover de ondergrondse vergezichten te bieden heeft of, zolang men dit tijdens de rit wordt gegund, zich verdiepen in iets lezenswaardig.

De ongelijkmatige slijtage op het crèmekleurig dak van beide treinstellen valt op. Het intrigeert. Maar ach, wat maakt het eigenlijk allemaal uit. Als ze maar komen en gaan. Die ruitenwisser van minstens een meter breed is andere koek. Het scharniert excentrisch aan de onderzijde van de ruit. Eenmaal aan het werk, dan bestrijkt deze vrijwel het volledige raam. Ruitenwissers voor onder de grond. Niet voor de bestuurder. Die is er immers niet meer.

San Francisco daagde.


We waanden ons even in een aflevering van de Thunderbirds, maar al gauw bleek het de dagelijkse werkelijkheid. De man in de cabine heeft slechts een geruststellende functie: niet de machine, maar de mens wordt ogenschijnlijk geacht de techniek de baas te zijn. Grote kans dat we met een etalagepop van doen hebben gehad, gehesen in bedrijfskleding van Bay Area Rapid Transport. Mensen vertrouwen op mensen. Niet op onfeilbaar gebleken verworvenheden. Vertrouwen wekken vraagt dan ook om knullige kunstgrepen.

Veertig jaar later blijkt in Parijs de cabine van de etalagepop te zijn ingeruimd voor de passagiers. In San Francisco zal het ongetwijfeld niet anders zijn. Misschien is men daar zelfs al weer veertig jaar verder. Wie weet?

In het Dagblad van het Noorden las ik eerder deze week het volgende:



De toekomst wordt ook hier alledaags. Gefaseerd en voorzichtig aan weliswaar, maar toch.
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                          

woensdag 6 februari 2019

Cale


Bij het Trompbruggetje staat een elektriciteitsschakelkastje. De buitenkant geeft zijn feitelijke functie een extraatje. Op de voorzijde is een kunststof billboard aangebracht. Cultuurcentrum De Oosterpoort en poppodium Vera posters klikken er posters in. Passanten worden hiermee geattendeerd op aanstaande concerten. Je moet het maar net zien, zo onopvallend deze blikvanger.

Mijn oog viel op de markante kop van John Cale. Het affiche kondigde zijn concert aan op zondag 4 december 2018 in de Oosterpoort. Daar ging ik op af.



Verwarrend. Er is geen zondag 4 december 2018. Die zal er nooit en te nimmer zijn. Tijd is absoluut onomkeerbaar. Einstein. De laatste met deze combinatie van dag én datum dateert van twee jaar geleden. De volgende laat op zich wachten: 2023. De website van De Oosterpoort noch haar Seizoensgids 18/19 maakte er gewag van.`Wat schieten de mensen op met deze slordige ongerijmdheid?`vroeg ik me retorisch af.

In 1974 verrijkte mijn goede vriend Peter zijn verrassende lp-collectie met Fear, Cale's vierde soloplaat. Op de achterzijde een foto waarop Cale, angstig ineen gekropen, zijn heil zocht bovenop een koelvriescombinatie. Deze lp plakte min of meer vast aan Peter’s draaitafel. Desondanks werden beide kanten om en om gedraaid. Hoe wonderlijk. Het kon niet op met deze lp, muziek die beklijft. Het is vooral zijn stem die er toe doet: lijzig, gedragen en saai, een die het midden houdt tussen Lou Reed, David Bowie en Piet Veerman.




Het concert vond plaats op 4 december 2018. Een dinsdagavond. Van de podiumkaart die ik ooit cadeau kreeg was al een en ander weggewerkt. Ik wendde me tot de kassa van De Oosterpoort. Een sjokkende heer met een stevige wandelstok schoof nét voor me richting balie. Wachten vraagt geduld, maar vooral ook beleefdheid. Op gepaste afstand stond ik daar te staan. Meneer wenste een kaartje voor een voorstelling waartoe de Seizoensgids 18/19 hem had weten te verleiden, maar welke, die was hem ontglipt, laat staan dat hij zich de pagina kon herinneren waarop deze stond vermeld: links of rechts, even of oneven, boven of onder. Ouderdom knaagt aan alles. Vooral aan het dierbaar geheugen. Het beloofde eindeloos bladeren door de gids. Met alle begrip, maar toch. Ik vroeg de dame achter de balie of ik misschien even tussendoor mijn eenvoudige bestelling mocht plaatsen. Dan was dat ook weer klaar. Man-met-stok kreeg mijn vraag kennelijk achteloos mee. Zijn subtiele knik was een vanzelfsprekend akkoord. 

De dame raadpleegde haar beeldscherm en al vlot was ze er uit:

‘Er zijn nog een paar kaarten beschikbaar.’

‘Mooi. Doet u maar. Aan één heb ik meer dan genoeg,’ antwoordde ik terwijl ik haar mijn podiumkaart aanreikte. Met een routine die dit vraagt joeg ze deze langs een pinpad om vervolgens te constateren dat er nog een saldo resteerde van € 32,50. Dit bleek exact het bedrag dat het concert van Cale me zou gaan kosten.



De avond van 4 december 2018 was daar. 

Gebrekkig, houterig en stram, zijn flitsende rode sneakers ten spijt, kwam Cale het podium op. Ouder worden gaat vanzelf. Soms niet. En profil bleek Cale voorzien van een voorbeeldige Romeinse haakneus, een onderkaak die in het Nederlands een centenbakje heet en een smal verticaal, grijs sikje dat zijn kin sierde.

Zijn enthousiasme om aan het concert te beginnen leek ver te zoeken, maar met de obligate verwelkoming ‘Hi Kroeningen’ dacht hij zijn Gronings publiek voor zich te hebben ingenomen. Maar de zeshonderd aanwezigen namen zijn saaie verwelkoming mat in ontvangst. Men liet zich liever inpakken met een concert dat recht zou doen aan zijn legendarisch muzikaal verleden.

Goed. 

Het concert kon beginnen om daarna ook weer te kunnen eindigen.

Zijn digitale piano, waarin ook zijn viool was ondergebracht, had Cale aan de rand van het podium laten plaatsen, kijkrichting het duister van de zaal. Flegmatisch, stuurs en onsympathiek zocht hij het publiek dat zich aan hem vergaapte en zijn muziek tot zich nam. Het bleek een veelzijdig repertoire dat zich laat beschrijven als melodisch, melancholisch, trance, lawaai, monotoon, vuig, ontsporing en georkestreerde chaos. Kortom, eigenzinnig. Alles werd minutieus gespeeld van bladmuziek die Cale vanaf een notebook las. Af en toe draaide hij zich geïrriteerd om naar zijn begeleidingsband, drie jongemannen met een Aziatisch aandoende herkomst. Alsof ze niet deugden. Maar dat deden ze als de besten.

Nee, Cale greep de mensen allerminst naar de keel. Integendeel. Zijn muziek joeg de mensen vlot de tent uit, behalve de liefhebbers met een fanatiek uithoudingsvermogen. Die kregen I’m waiting for the man als toegift mee, een stampend, dreunend en obscuur nummer van The Velvet Underground. Van deze experimentele rockgroep uit New York maakte Cale van 1964 tot 1968 als begenadigd multi-instrumentalist nadrukkelijk deel uit.

Nee, het concert van deze avond bleek verspilling van tijd en geld, maar het was te intrigerend om niet tot deze genadeloze conclusie te kunnen komen.


vrijdag 2 november 2018

Orrvèrzéssel



In februari dit jaar waren we een dag of wat in Boedapest. Voor mij wat aan de korte kant. Ik kondigde de dames dan ook aan aan in het najaar er nog een bezoek aan vast te knopen. Voilá: begin oktober. Ik trok er zes dagen voor uit.

Het was een eenvoudige kamer waar ik verbleef, Prater Utca 7, een zijstraat van de Josef Korüth, een belangrijke route die dwars door het centrum van Pest, de rechteroever van de Donau, raast. Misschien suggereert eenvoudig een kwalificatie die aan minimale basisvoorwaarden voldoet. Maar dat deed deze allerminst. De kledingkast als metafoor.





Maar het kleine ongerief dat dit met zich meebracht woog zeker niet op tegen het plezier dat de wonderlijke huisbaas Atilla me dagelijks verschafte. Daarnaast was het in Scessionstijl gebouwd appartement van vier etages, zonder lift, fraai verloederd en het treurig ogend kale volkscafé twee deuren verder op, waar dagelijks hipsters, studenten en locals elkaar treffen droegen bij aan het aangenaam verblijf. 

De morgen van de tweede dag werd ik om half acht wakker. Licht gesnotter bleek een bloedneus. Met slechts de onderbroek aan zette ik me op de rand van het bed, plaatste de prullenbak tussen mijn voeten, drukte met een zakdoekje de bron stevig dicht en zocht op mijn mobiel wat te doen bij hinder als deze. Het klonk nogal alarmerend, maar het verontrustte me allerminst: Dichtdrukken hoog tegen het neusbeen. Indien binnen tien minuten niet gestelpt dan wendt u zich onmiddellijk tot uw huisarts.Het was een suggestie waar ik voorlopig mee uit de voeten kon. 

Ik tikte op de app van NPO-Radio 1 en luisterde ter verstrooiing naar het verse nieuws uit het verre Nederland. Daarbij zag ik de plastic zak in de prullenbak druppelsgewijs verkleuren. Mijn zakdoekjes waren er rap doorheen gejast. Ja, dat wil wel. Toevallig was de avond ervoor mijn oog gevallen op een openstaande kast op de overloop waarin een grote hoeveelheid keukenrollen in gezinsverpakking. Ik ging er op af. En daar scharrelde ik, in die kast, in alle vroegte, in onderbroek, met die bloedneus, terwijl een Chinese jongedame me passeerde. Ze had de avond ervoor in het naastgelegen appartement haar intrek genomen. Zorgelijk vroeg ze wat er aan de hand was om zich vervolgens over mij te ontfermen. Olivia, zoals ze zich voordeed, schatte de situatie in. Wat te doen? Wie te bellen? Atilla was snel ter plekke. En daar stonden we, met ons drieën, een Hongaar, een Chinese en een Hollander. Het bloed verkoos zo langzamerhand ook de weg naar naar het andere neusgat. Van kwaad tot erger.

Atilla had contact genomen met Pérfy Kóház Országos Traumatológiai Intézte. Een hele mondvol voor een klein ziekenhuis. De ambulance was met enige spoed onze richting gesneld. Omdat ik mijn neus niet zo maar zijn gang kon laten gaan hielp Olivia me bij het aankleden: broek, hemd, overhemd, sokken en schoenen. Met een subtiele knik naar mijn gulp gaf ze Atilla te kennen de vier knopen ervan te sluiten. Het verliep allemaal als vanzelf.

Binnen de kortste keren stonden twee in fluorescerend rood geüniformeerde mannen van de ambulancedienst in mijn kamer. Het protocol vereist dat men eerst de bloeddruk van de patiënt opneemt. Deze bleek 170/90. Extreem hoog. Dat mag duidelijk zijn. Een royaal uitgevallen tampon werd horizontaal onder mijn neus aangebracht waarop de rit naar het ziekenhuis kon beginnen. Op dat moment stopte het bloeden. Een wonderlijk verband. We liepen de eenentachtig treden naar beneden. Van de volledige breedte van het trottoir had de ziekenwagen bezit genomen. Een Ford Transit. Op de achterkant lezen we de wervende tekst International Van of the Year 2007. Een soort garantie voor veilig vervoer. Na elf jaar stelde die claim nog steeds gerust.


Wanneer we inzoomen op de rechter achterruit, dan zien we de contouren van het hoofd van de patiënt met tampon. Atilla en ik werden vastgesnoerd op de bankjes naast de houten brancard. En daar gingen we.

De rit nam wat tijd, dwars door het hart van de enerverende stad. Gelet de ernst van de medische situatie waarin de patiënt verkeerde sjeesde de ambulance zonder alarm door het verkeer. Uiteindelijk arriveerden we bij Péterfy Kórház. Eenmaal in een dergelijke omgeving ben je onmiddellijk een hulpbehoevend patiënt en je wordt dan ook als zodanig professioneel bejegend. Vandaar die rolstoel die klaar stond om me vanuit de Ford naar de afdeling die men mij had toebedacht te transporteren. De meneer die verantwoordelijk is voor het duwen van rolstoelen trek je een lange, mooi gestreken witte broek aan met bijpassende witte jas. Dan krijgt zijn functie meteen een medische. Ik zou nog een uur of wat met de rolstoelman te maken krijgen. Wanneer ik zelf de voetensteuntjes naar binnen of naar buiten wilde klappen om in of uit de rolstoel te stappen schoot hij toe: voetensteuntjes, die behoren tot zijn werkzaamheden.

Nadat hij zich ervan had vergewist dat ik in goede handen was vertrok Atilla. Andere zaken hadden zijn aandacht.

De afdeling waar ik op belandde zat in een verhuizing naar een gebouw elders op het ziekenhuisterrein. Deze operatie was op een oor na gevild. Mijn intake op de kamer van de specialist getuigde van een rommeligheid en wanorde die een verhuizing als deze kennelijk met zich meebrengt.


Maar ruimte om mijn bloeddruk nog maar weer eens op te nemen was er voldoende. Het gaf te denken: 167/108. Zorgelijke waarden! De verantwoordelijke arts drukte me dan ook een bloeddrukverlagend pilletje tussen de tanden. Bij gebrek aan enige kennis van een andere taal dan haar Hongaars demonstreerde ze me deze tussen de voortanden te vermorzelen. Het ging me vlot af. Vervolgens nam ze drie bloedmonsters af die door het laboratorium van het ziekenhuis zouden worden onderzocht. Daarnaast werd een ECG-scan afgenomen. Het was allemaal in een vloek en een zucht gedaan. Een bezoek aan de KNO-arts volgde. En daar was hij weer, de rolstoelman. Hij schoof me routinematig in de vierwieler, de voetensteuntjes klapte hij naar beneden en hij leverde me, via de rammelende en soms haperende lift, af bij de KNO-afdeling.

In een breedte van minstens vijftig meter zag ik een blinde, witte wand van paneeldeuren, waarachter, om en om, een loket voor de specifieke intake en rechts daarvan de toegang tot de behandelkamer ervan. De rolstoelman wendde zich tot het Fül-,Orr-, Gégészet-loket, KNO letterlijk vertaald. Een dame schoof het luikje open om hem -feitelijk mij- te woord te staan.


Ik kon meteen naar binnen.

Het was een warme dag. Kondá, de jonge KNO-arts liep er zomers bij, evenals zijn assistente. Het weer gaf daartoe immers aanleiding. Mijn summier dossier had hij bekeken. Alvorens tot enig handelen over te gaan vroeg hij of ik cash bij me had. Nee, dat had ik niet, maar wel drie creditcards en de Internationale Zorgpas. Desondanks deelde hij me nadrukkelijk mee dat er op het ziekenhuisterrein een geldautomaat aanwezig was. Onmiddellijk gingen mijn gedachten naar de praktijk van de parallelle economie van vóór 1989. Maar ach, al snel stapte Kondá van dit financieel gedoe af. Met onwillige honden is het kwaad kersen eten zal hij gedacht hebben. Hij dirigeerde me de behandelstoel in, haalde zijn neus even op over de volle lengte van zijn rechterarm en liet zich vervolgens een wit mondkapje en een groene operatieschort door zijn assistente aanbrengen. Met een loupebril op zijn hoofd poetste hij zorgvuldig mijn neus schoon om daarna vast te stellen geen verklaring te hebben voor die acute bloedneus. Hij ontdeed zich van zijn beroepsmatige attributen, zette zich achter zijn bureau waar de assistente hem een document voor schoof dat ze onderaan, met een ferme klap daarop, stempelde. Geroutineerd bracht hij zijn signatuur er op aan. Vervolgens een ander exemplaar. Ook deze verdiende Kondá’s krabbel. Daarmee zat mijn bezoek aan de KNO-afdeling er op.De rolstoelman nam de regie weer over. Terug naar mijn afdeling. Wachten op de resultaten van het bloedonderzoek.

De verhuizing had inmiddels zijn volle vaart genomen. Van de toiletten hadden de handdoeken, zeep en wc-papier hun nieuwe bestemming al gevonden, terwijl een verwarde patiënt, slechts gekleed in pyjamajas en volle luier, mij passeerde. Een ontluisterend tafereel. Een andere patiënt werd aan de overkant van mijn tafel door verwanten verwend met een tros witte druiven en een hoognodige scheerbeurt. Een elektrisch apparaat deed het voorwerk. Voor de finesse had men drie gebruikte mesjes meegenomen. Deze werden zorgvuldig geïnspecteerd op de juiste scherpte. Dit soort waarnemingen doe je wanneer wachten en verveling slechts resteren. Verveling moet je doden.

Een passerende arts klampte ik vast met de vraag hoe lang de uitslag van het bloedonderzoek nog op zich zou kunnen laten wachten. We waren immers al een uur of vier verder. Mijn dagelijkse hygiënische routine na het opstaan was die ochtend er vanzelfsprekend bij ingeschoten, evenals het ontbijt. Ze nam kennis van deze mededelingen. Al gauw stond er een plastic karaf met gezoete, slappe thee voor me, evenals een bakseltje plus waterige soep waarin blokjes wortel en kool beeld- maar niet smaakbepalend waren.



Maar dan. Ineens waren ze daar, rond half drie, de uitslagen van het laboratorium. Alle deugden. Geen enkele aanleiding tot verdere zorg. Met dit gegeven kon ik Pérfy Kóház onmiddellijk verlaten. Het zojuist voorgeschotelde eten liet ik graag voor wat het was.

Uiteindelijk kwam er geen enkele betaling aan te pas. Optimale gezondheidszorg in de beste socialistische traditie. Ik dankte het medisch team, vooral de rolstoelman, voor de aandacht die men aan mij op deze idiote dag had besteed.

Al gauw werd het avond, maar de dag, die was nog lang niet voorbij.





zondag 23 september 2018

Martenshoek





Daar ging ik op af, op een uitnodiging voor een vernissage in galerie Werfkade 16 in Hoogezand. Vanaf Groningen Europapark nam ik de trein. Ik koos voor de rechter rijrichting. De bankjes links reden achteruit. Het was een verrassende rit van hooguit een kwartier. Zo kort die was, deze wist me veel te bieden: schrale weilanden, droge sloten en de vogels die dit soort territoria verkiezen. Het kon niet op.

Al gauw was ik daar, in Hoogezand. De trein stopte bij station Martenshoek. Ja, de galeriehouder liet zich ooit die naam ontvallen. Maar was dit wel het station van mijn bestemming? Nog nooit was ik in Hoogezand. De jongedame achter me adviseerde me uit te stappen bij station Hoogezand-Sappemeer. Waarom, dat was me volstrekt onduidelijk. Toch nam ik haar suggestie voetstoots ter harte. Uiteindelijk bleek het een station te ver. De Werfkade was toch maar weer een flink halfuur terug wandelen.

De opening van de expositie, die de naam Fool´s Paradise droeg en die nogal wat plaatselijke kunstminnaars op de been bracht, werd verricht door wethouder Verschuren. Zijn mooie woorden getuigden van affiniteit met cultuur, zeker met die waarmee hij in zijn gemeente Midden Groningen zoal mee wordt geconfronteerd. Maar goed, al gauw had de wethouder de expositie voor geopend verklaard.

Over het gepresenteerde, daar had ik zo mijn gedachten, misschien wel mijn bedenkingen. Fantasierijk, zowel verbeelding als naamgeving, tekende ik met enig cynisme in het gastenboek op. En met de titel van haar expositie zat kunstenares Susan Baxter er zeker niet naast.

Bij mijn vertrek zette de galeriehouder me in klare taal uiteen hoe ik vanaf daar eenvoudig station Martenshoek zou bereiken: rechtsaf, dan een grasveldje, dat verleidt naar links maar daar vooral wél naar rechts, dan een Kruidvat aan de rechterkant. Maar eenmaal daar was ik de draad volledig kwijt.

Twee kleurrijk geklede meiden, twintigers, liepen me tegemoet, beiden getooid met een hoofddoek die er mocht wezen, strak gespannen om hun ronde, vrolijke hoofd. Een andere wereld dan de mijne, maar misschien wisten ze me wel de kortste weg naar station Martenshoek te vertellen.

Dat wisten ze. Als de besten.

‘Daar!‘ wijzend naar waar ze vandaan kwamen. ‘We lopen mee.’

'Maar jullie moeten toch de andere kant op,' meende ik te constateren.

'Ja, lopen met u mee. Niet goed Nederlands praten.'

Duidelijke taal. Maar ach, het was een wandeling van niks. Al gauw wezen ze me bij een rotonde naar links: ‘Daar Martenshoek.’



Zo kort de wandeling, zo openhartig de conversatie-in-steekwoorden. Deze deed er toe.

Anderhalf jaar geleden gevlucht uit geteisterd Syrië. Beland in Hoogezand. Ik vroeg naar hun toekomst. Die ligt hier. In Nederland. Hun opgewektheid en stralende lach getuigden van humor en geluk. Van het goede leven dat ze hier troffen. De een gaf te kennen aan de RUG te gaan studeren. Tandkunde, zoals ze het kernachtig verwoordde. De ander had genoeg ideeën, maar ze was er nog niet uit.

Een toevallige ontmoeting van hooguit vier minuten met twee jonge moslima’s. Meiden van nu. Vrouwen van de toekomst. Met een hartelijke hand op beider schouder bedankte ik ze voor de duidelijke uitleg. 

En zo scheidden onze wegen zich weer snel. 

Zo verloopt een en ander terloops in Hoogezand. Xenofoob Blok moest eens weten.