vrijdag 25 juni 2021

Kruimelaars

Voor schrijfwerk verkies ik de studiezalen van de Universiteitsbibliotheek, de UB: inspirerend, rust en muisstil. Hoewel ik beschik over een UB-pas verschaft mij deze momenteel geen toegang. Vooralsnog zijn deze zalen slechts beschikbaar voor studenten van de RUG. Covid 19. Daar valt veel voor te zeggen.

Onlangs werden de corona-maatregelen wat losjes gelaten. Zo ook die bij de Openbare Bibliotheek van Groningen. Deze is sinds november 2020 gehuisvest in het architectonisch spectaculair vormgegeven Forum, een ontwerp van het Amsterdamse NL Architects uit 2007. Via de site van het Forum kun je per dagdeel een studieplek reserveren. Dat deed ik en wel voor woensdagmiddag 2 juni.

Met het mondkapje op de juiste plek wendde ik me tot de receptie. Na het verplichte handwasje vroeg de dame van de receptie waarvoor ik kwam. ‘Voor de gereserveerde studieplek’, antwoordde ik, daarbij wapperend met mijn mobiel waarop de bevestiging van de gemaakte afspraak. Als vanzelfsprekend stuurde ze me door naar de volgende controlepost waar ik me, in overeenstemming met de gebiedende richtlijnen van het OMT, moest inschrijven. Daar bleek dat ik ruim een half uur te vroeg was: niet om 13.00 uur, maar om 13.30 uur was mijn studieplek beschikbaar. De dienstdoende jongeman raadpleegde toch even snel telefonisch degene die over de studieplekken gaat. Nee, meneer mocht niet eerder naar binnen, omdat alle studieplekken, na gebruik van de zo geheten ochtendshift, nog grondig gereinigd moesten worden. Met alle begrip vertrok ik. Een half uur is soms zo voorbij. Op het zonnig terras van het nabije Concerthuis strekte ik de benen en deed me tegoed aan een goede cappuccino, geserveerd met een smakelijk plakje plakkerige chococake.

Rond 13.30 uur vervoegde ik me weer bij de receptie van het Forum. Een andere medewerker dan een half uur eerder stond me te woord. Lunchtijd, verveling of wat dan ook, er is altijd wel een reden te bedenken om werkplekken te verversen. Een wat oudere, geblondeerde vrouw verwelkomde me met de botte vraag: ‘Wat komt u doen?' Hele andere koek dan de ontvangst van dertig minuten eerder. Ik zwaaide nogmaals met mijn telefoon, met die bevestiging van de studieplek die ik die dag, op dat moment, op mijn naam had staan. De vrouw schatte me terecht niet in als student, hoewel van die veronderstelling natuurlijk wel een en ander valt af te dingen. Hoe dan ook, ze meende me nader te moeten bevragen: wie ik wel niet was en waarom ik meende een studieplek te kunnen claimen. Heel even uit het veld geslagen, verbijsterd over het feit dat iemand je zo maar met dit soort lompe impertinentie meent te mogen confronteren, herpakte ik me rap. In niet te misverstane woorden gaf ik de nep-blondine te kennen dat de reden van mijn reservering haar niet aanging en dat ik haar brutale vragen hieromtrent als niet gesteld, dus onbeantwoord, zou laten.

‘Studieplekken in het Forum zijn uitsluitend bedoeld voor studenten van de RUG en Hanzehogeschool’, meende ze me nogmaals te moeten inwrijven. Wat heeft een man op leeftijd daar te claimen? ‘Gaat u daar maar even staan. Dan bel ik iemand die hier over gaat.’ Ah, kijk aan. Wat ik al dacht: natuurlijk gaat ze hier helemaal niet over, maar wel iemand die ze ging bellen. Het contact was vlot gelegd. Haar gesprek met de persoon aan de andere kant van de lijn begon ze aldus: ‘Hoi, Maurice, er staat hier een man die……… ‘Ik liet het gesprek voor wat het was. Al gauw was Maurice ter plaatse. Verontwaardigd gaf de bleke blondine hem te kennen, intussen knikkend naar de hoek waar ze me eerder in had gedirigeerd, dat die man een studieplek had gereserveerd. Zonder een moment van twijfel gaf Maurice haar te verstaan dat alle studieplekken beschikbaar zijn voor wie dan ook: ‘Iedereen mag hier werken.’ Daar kon ze het mee doen. Ik ook. Dus daar ging ik.

Ongestoord kwam ik vanaf een uur of twee op stoom met datgene wat me bezig houdt. Totdat rond vijf uur die middag een hele grote meneer met een hoofd als een glimmende biljartbal me vanachter een lichtblauw mondkapje vermanend toesprak vanwege mijn aanwezigheid ter plekke. Op de linker kraag van zijn jasje ontwaarde ik een letter V, vormgegeven als een boekhoudkundig vinkje. Hoe anders bedenk je een logo voor een bewakings- en beveiligingsbedrijf? In zijn kielzog liep een jongeman in het zelfde uniform mee, althans een flink maatje kleiner. Hij oogde als stagiaire. Aanvankelijk meende ik dat die kale man me aansprak op het feit dat ik op een plek zat die niet voor studiedoeleinden bedoeld was. Ik legde hem het uit: aan de zuidzijde van het gebouw reflecteerde lichtinval, het buitenlicht en het latjesplafond op het beeldscherm van mijn laptop. Daardoor werd de tekst lastig leesbaar. En meer van dat soort praat. Daarom was ik verkast naar de plek waar ik zat. Bij het aanhoren van deze fysieke feitelijkheden keek hij me glazig aan: mijn mededelingen waren zijn vraagtekens. 'Niks mee te maken', zo leek hij te kijken. Ik werd niet geacht daar te zitten, daar te werken. Toen ik hem mijn reservering liet zien en confronteerde met eerdergenoemde stelling van Maurice, bond hij enigszins in. En passant was me ter ore gekomen dat van de 150 gereserveerde studieplekken die dinsdagmiddag slechts 66 personen daadwerkelijk waren komen opdagen. Minder dan vijftig procent. Ik confronteerde de kale kop met dit droge feit. ‘Ja, maar u ontneemt met uw aanwezigheid toch een studieplek voor een student. ‘ Het bleek een mooi leermoment voor de stagiaire. We wisselden een blik van verstandhouding.

Miezerige mensen, dat zijn ze, mensen in kleine, nuttige functies, mensen die in sommige situaties zich groter wanen dan zo klein ze zijn. Macht en misbruik ervan, dat ligt dan allemaal zo maar op de loer. Die middag werd ik er twee keer mee geconfronteerd. Je zult ze de kost moeten geven!

 

maandag 8 maart 2021

Efferdingers

 In 2020 verscheen de Nederlandse vertaling van het in 1951 in Duitsland verschenen Efferdingers. Het is een intrigerende Duits-Joodse familiekroniek die zich tussen 1878 en 1948 afspeelt, geschreven door Gabriele Tergit.  Monumentaal, maar vaak saai wanneer meubels, kleding en maaltijden gedetailleerd worden beschreven. De Duitse taal kent daarvoor het mooie woord langweilig. Maar het waardevolle van dit vuistdikke boek is dat het een fascinerend beeld schetst van de Duitse geschiedenis in genoemde roerige periode: oorlogen, antisemitisme, economische voorspoed en daarop volgende depressie en de opkomst van het socialisme en fascisme. En dit aan de hand van de geschiedenis van drie Duits-Joodse families.

Hier lezen we een passage op pagina 470:


Zo sloeg de Spaanse Griep toe.

Op 17 maart a.s. kiezen we een nieuwe Tweede Kamer. Ja, de boel moest maar eens flink worden opgeschud na al die als wijs beleid gepresenteerde snoeiharde bezuinigingen op gebied van onderwijs, zorg, veiligheid, volkshuisvesting, rechtsbescherming en klimaat. Maar ach, het weerhoudt de kiezer er allemaal niet van, zoals de prognoses ons willen doen geloven, Rutte de gelegenheid te bieden zijn minister-presidentschap te consolideren. Het is een wonderlijke, een merkwaardige, een niet te verklaren tegenstrijdigheid. Ja, van tefal glijdt alles af. In aanloop naar deze verkiezingen nam ik de verkiezingsspecial van de Volkskrant belangstellend door. De response op de meest uiteenlopende thema’s die bij de Kamerverkiezingen van 2017 aan de orde kwamen werden vergeleken met die van 2021. Opmerkelijk was dat de aanpak van de coronacrisis in 2017 bij veel kiezers van grotere zorg was dan in 2021. Merkwaardig, omdat het fenomeen dat het afgelopen jaar de maatschappij sociaal en economisch totaal heeft ontwricht zich pas drie jaar later zou aandienen!

Het volkscafé De Hoop aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen illustreert de hopeloze treurigheid die het venijn van corona met zich meebrengt. 


Maar ach, die lach en die hoop. 

dinsdag 1 september 2020

Flayosc

 

We verbleven enkele dagen in Flayosc. Vrienden die er wonen hadden ons uitgenodigd. Dan zit je in departement Var, vlakbij de mondaine kust van Saint-Tropez en Sainte-Maxime. Die zondagmorgen liepen we al vroeg het dorp in. Het mediterrane leven is zoals het spreekwoordelijke God in Frankrijk. Het verklaart dan ook het hoge toeristische gehalte aldaar. Voor de bewoners is het niet meer dan verplichte dagelijkse kost. De charme zit in de chaleur, in de geur en in de loomheid die het leven daar zo eigen is. 

Obers lopen met zware bladen van en naar de volle terrassen onder die eeuwenoude platanen, de boulangier doet met warme croissants en ovenverse baguettes zijn goede eer aan en de tabac verkoopt naast de obligate rookwaren, toeristische prullaria en het regionale dagblad.

Meer dan dertig jaar verzamel ik ansichtkaarten van de plekken die ik bezoek. Deze schuif ik zonder notitie strikt chronologisch in insteekalbumpjes. Ansichtkaarten verbeelden vaak beter de plek die je bezocht dan dat je eigen foto's dat doen. Dus stapte ik in Flayosc de tabac binnen. De kaartencarrousel had nauwelijks iets te bieden: slechts een staande foto van Eglise Saint Laurent, de kerk die het beeld van het dorp alom bepaalt. Dan is de keus gauw gemaakt. Ik liep er mee naar de kassa. Van achter een plastic coronascherm blafte een bullebak me ‘Trois euro’s’ toe. Omdat dit soort kaarten over het algemeen rond vijftig cent kosten liet ik deze voor wat die was en herhaalde stomverbaasd en retorisch: ‘Trois euros?!’

Na een korte wandeling door de nauwe straatjes passeerde ik deze tabac alweer. Je kunt er kennelijk niet omheen. En daar stond hij, de bullebak met zijn sterke, gespierde armen over elkaar, leunend tegen de deuropening van de tabac. Ja, we herkenden elkaar onmiddellijk en gunden ons om uiteenlopende reden slechts een vijandige blik.

De volgende dag passeerde ik na een petit crème in Café Du Midi alweer de tabac. Zoals gezegd: je kunt er niet omheen. Daar stond tot mijn verrassing een blonde jongedame achter de balie. Ik schoof haar de ansichtkaart met de dominante toren toe met daarbij de vraag wat deze me zou gaan kosten. Dat wist ze niet. Een wat kalende collega met zwart ringbaardje raadpleegde ze. ‘Cinquante centimes’, antwoordde hij met een vriendelijke toon waar een vanzelfsprekendheid uit sprak. Ik schoof haar een muntje van vijftig cent toe. Het ringbaardje informeerde ik terloops dat mij de dag er vóór drie euro voor diezelfde kaart werd gevraagd. 


Belangstellend vroeg hij naar het moment waarop. Ik wist het me natuurlijk maar al te goed te herinneren. Hij nam er goede nota van.




donderdag 21 mei 2020

Familieband




Jaarlijks genieten we in de hoogzomer van de reünie van mijn schoonfamilie. Deze omvat inmiddels vier generaties. Het is een plezierige traditie, die al jaren plaats vindt vlakbij het Twentse Losser. Daar zien we elkaar voor enkele dagen, we praten weer eens goed bij, we doen wat we doen, overdag gaat ieder zijn gang, er wordt gekookt, gegeten en gedaan en 's avonds spelen we een gezelschapsspel waar niemand onderuit kan én wil! Gezelligheid is er troef.

De vorige zomer nam ik wat lopende bezigheden digitaal mee. Iemand stuurde me via WeTransfer hieromtrent een stapeltje foto’s toe. Hoewel deze dienst me goed bekend is kreeg ik het niet geopend. Een aanwezig neefje wist van wanten. Al gauw had hij Zip7 gedownload. Dat zou die gecomprimeerde bestanden wel even snel uitpakken. En dat deed het.

'En als u hier nog eens tegen aan loopt, dan gebruikt u deze app,' raadde hij me aan.

'Maar je kunt me toch gewoon tutoyeren!' merkte ik op.

'Oh, ik dacht dat u een klant was.' 

Het was een opmerkelijke reactie. We moesten maar vaker naar Losser.



maandag 6 april 2020

Frutti Plastici




Het Groninger Museum is een ontwerp van Allessandro Mendini. De uitvoering ervan had heel wat voeten in aarde: een postmodern wanordelijk bouwsel aan een singel waar in de tweede helft van de negentiende eeuw klassieke, statige herenhuizen werden neergezet. Groningen barstte destijds uit haar voegen. De uitbreiding naar het zuiden van Stad werd dan ook kordaat aangepakt. De Herepoort moest er onder meer aan geloven. Deze prijkt tegenwoordig in de tuin van het Rijks Museum in Amsterdam. Een idioot gegeven, vooral ook het feit dat dit museum halsstarrig weigert die historische poort de rechthebbende te retourneren.

Bij de vijfentwintigste verjaardag van het huidig gebouw nodigde het Groninger Museum Mendini uit een expositie naar zijn smaak samen te stellen, een met zijn meest geliefde, zijn meest dierbare kunstvoorwerpen. Het resulteerde in een vermakelijk en vrolijk geheel van extremen: Mondo Mendini. Je moet het gezien en beleefd hebben!

Er hangt een gesloten, glazen vitrine waarin verschillende rassen appels en peren worden geëtaleerd. Onder elk exemplaar is de soortnaam in het Latijn fraai gekalligrafeerd aangebracht. Maar alles is nep. Gemaakt in het midden van de negentiende eeuw en afkomstig uit Museo della Frutta di Torino. De wetenschapper Francesco Valletti (1808-1889) stond aan de wieg van deze curieuze collectie. 



Op het tekstbordje met uitleg lezen we het volgende:



Ter zijde. Onlangs zag ik enkele afleveringen terug van Van Kooten en De Bie, het cabaret duo dat van eind jaren zestig tot eind negentig in vele gedaanten furore maakte bij de VARA en later bij de VPRO. Zo geestig, origineel en treffend hun sketches destijds waren, zo zouteloos, flauw en tenenkrommend zijn die wanneer je deze na al die jaren terugziet. Een van de typetjes die regelmatig voorbij kwam was Cor van der Laak, een bemoeizuchtig, vervelend en zeurderig burgermannetje.

Toen ik de uitleg bij de vitrinekast las kon ik niet anders dan me te wenden tot het Groninger Museum. Cor van der Laak indachtig.

De originele Italiaanse tekst zal waarschijnlijk Frutti Plastici geweest zijn. Ja, dan ligt de simpele vertaling Plastic Fruit voor de hand. Maar plastic is een chemisch product van na de Tweede Wereldoorlog. Met enige kennis van de Italiaanse taal zou ik dit vertalen als Geboetseerd Fruit. Het museum deed ik dan ook deze suggestie. Onder dankzegging kreeg ik van conservator Ruud Schenk een mail waarin hij het volgende stelde:

…..de vertaling was foutief, en bij een kritische rondgang langs de bordjes hebben we verzuimd dit op (sic) te corrigeren.

Bij een later bezoek aan het Groninger Museum zag ik dat men het tekstbordje inderdaad had gewijzigd.



Maar de tekst, nee, die werd er niet veel beter op.

woensdag 29 januari 2020

De Dame en haar Klassiekers


Liefhebbers van oude auto’s, daar zijn er velen van. Week- en maandbladen leven er van. Vaak beschikken de lezers zelf over een historisch exemplaar. Sommigen veroorloven zich zelfs meerdere. Anderen moeten het stellen met dit papieren periodiek of met passief, begerig toekijken wanneer er een zich toevallig op de weg aandient. Als ze passeren, dan is dat een seconde of wat. Genot van korte duur. Zo voorbij. Maar het kan ook anders. Dat zullen we beleven.

Mensen rijden dagelijks onze straat in. En uit. Zo gaat dat. Maar er is één iemand in het bijzonder: een bejaarde dame. Met zorg plaatst ze haar fiets langs het trottoir en verankert deze op standaard en slot. Vervolgens gaat ze naast haar fiets staan, ze neemt een primitieve, zilvergrijze Sony Cybershot uit haar jaszak en wacht op de toevallige passant. Als deze er eenmaal is, dan verzoekt ze deze op dwingende wijze haar te vereeuwigen met de klassieker die tegenover haar fiets aan de overkant van de straat staat geparkeerd. En niet staand, maar liggend, zo moeten haar foto’s ogen. Wanneer zij heeft geoordeeld dat zij én de auto er goed op staan, dan gaat de camera zorgvuldig terug in haar jaszak, het fietssleuteltje gaat in het slot en ze fietst verder, de routinematige route die voert naar haar volgende automobiel.



Greetje, een buurtgenoot die de dame al meerdere keren voor haar karretje wist te spannen, herinnerde haar er onlangs aan dat ze haar eerder die week bij dezelfde auto had gefotografeerd. De dame keek haar beduusd, vragend en glazig aan.

Onlangs moest ik een foto professioneel laten afdrukken. Ik wendde me tot mijn fotograaf Bert. Hij drukte mijn sd-kaartje in een fotoprinter. Op het beeldscherm ervan schoven al mijn opnamen in een overzichtelijk tempo voorbij. Terwijl ik daar naar tuurde, op zoek naar de foto waar het me om te doen was, keek Bert achteloos over mijn schouder mee. En toen was er plots een plaatje die hem frappeerde: Hé, die mevrouw ken ik. Ze komt hier regelmatig. Dan moet ik haar foto's op een cd-tje zetten. Het zijn altijd foto's van haar met een oude auto er op. Het zijn er zo langzamerhand honderden. Die speelt ze thuis af. Daar geniet ze van.



Terzijde. Aan het uitwisselen van privacygegevens heeft de wetgever paal en perk gesteld. Het leidde tot ongewenste uitwassen. Wanneer je een bepaald archief digitaal wilt inzien, dan mag dat niet. Wettelijk verboden. Dus dat kan dan niet. Maar ga je fysiek naar betreffend archief, dan blijk je er naar hartenlust en ongebreideld in te kunnen snuffelen. Privacy blijkt een betrekkelijk begrip.

Terug naar de fotozaak. Terug naar Bert. Toen hij me dit zo achteloos meedeelde keken we elkaar zwijgzaam aan, maar met een blik van wederzijdse verstandhouding: dit houden we onder de pet.

De wereld van klassieke automobielen is een wonderlijke. Wonderlijker zijn de mensen die zich er dagelijks mateloos aan vergapen.

vrijdag 1 november 2019

De Conducteur



In de intercity van Amsterdam Zuid naar Groningen Hoofdstation koos ik voor de voorste wagon. Een mooie, rustige plek. Een stiltecoupé. De machinist zal ongeveer een meter of drie achter mijn rug zijn werk hebben gedaan. Het ging hem goed af. 

Het beroep 'machinist' roept associaties op met dampende dieselmotoren, rookpluimen als volle wolken, schelle fluiten en sterke, stoere mannen met op het hoofd een pet die gezag afdwingt. In Zuid-Frankrijk ontmoette ik een jaar of wat geleden een dame op een naturistencamping. Ze bleek machinist bij de NS. Dat zag je niet aan haar af, maar daarmee vervloog wel geschetste associatie.


En daar was hij, de conducteur, een blonde dertiger, strak gekapt, beide mouwen opgestroopt. Zijn rechterarm etaleerde een sierlijke armband. Al gauw bleek het een tattoo. Maar het sieraad werd er niet minder van.

'En dan ben ik de laatste’, opperde ik hem bij het overhandigen van mijn vervoersbewijs. 'Maar niet de minste.' meende hij te constateren. En daarmee sloot hij zijn controleronde af.

Waarachtige beleefdheid, associatief en professioneel. In slechts vier woorden wist de vakman zijn charme te verpakken.


vrijdag 11 oktober 2019

Zuidelijke Ringweg


Genua? Nee, Groningen.



Het is de langste weg van Nederland, de A7. Deze voert van Amsterdam via de Afsluitdijk naar Nieuweschans. Het is ook de snelste route van Amsterdam naar Hamburg. Gedurende 465 kilometer kan men ongehinderd doorkachelen. Maar wacht, er zit slechts één hindernis in: het Julianaplein in Groningen. Daar reguleert een verouderd verkeerslichtensysteem de doorstroming van het verkeer. Een dergelijk kruispunt is niet meer van deze tijd. 

Sinds vorig jaar wordt er dan ook gewerkt aan een, met een mooi woord, conflictvrije zuidelijke ringweg: ondertunneling, ongelijkvloerse kruisingen en allerlei bypasses. Toe maar! Daarmee verdwijnen in 2024 die vervloekte verkeerslichten. Met een beetje voorspoed misschien wel eerder! 

Momenteel wordt de bestaande weg hapsgewijs weggeknabbeld. Men is flink op stoom. Hinder en overlast vallen de direct omwonenden voortdurend ten deel. Maar goed. Uiteindelijk leidt een en ander tot aangename rust, hogere WOZ-waarden, wat minder stik- en fijnstof en gedeeltelijk herstel van het ooit zo mooie Sterrebos.

We zien hier een van de betonnen pijlers waarop de zuidelijke rijbaan van de ringweg vanaf eind jaren ’70 heeft gelegen. Beton leent zich goed voor graffiti. Het garandeert een zekere bestendigheid van verf en viltstift die er op worden aangebracht. Op de linker pijler zien we de contouren van twee paneeltjes waarin ooit commerciële affiches werden geklemd. Daarop geblokt: DKLM. Aan de zijkant van de rechter pijler lezen we deze intrigerende afkorting ook, maar veel duidelijker aangebracht. Op Google lees ik dat DKLM een advocatenkantoor uit Londen is. Reikt de chaotische Brexit zelfs tot rommelige uitingen op verloren beton in Groningen? Het moet niet gekker worden! 

Fraaier is de tekst op de plek waar het linker paneeltje zich bevond: geen in grote haast aangebrachte graffiti, maar onnavolgbare gedachten, verpakt als gedicht, met zorg geschreven in kapitalen en met afbrekingen die verwonderen.



Goed als dichters zich roeren. Maar wat is de waarde van hun poëzie wanneer ze de weg kwijt zijn?

woensdag 25 september 2019

Kattendiep

In augustus 2017 stond het Holland Casino aan het Kattendiep in Groningen op een mooie zondagmorgen ineens in vuur en vlam. En niet zo'n beetje ook! Enkele uren later was het totaal verwoest. Daarmee was het met het ontwerp van architect Abe Bonnema (1926-2001) definitief gedaan. Het stond er een kleine dertig jaar. Aan de zijde van het Kattendiep zijn schuttingen geplaatst die het zicht op deze averij de mensen moet ontnemen. Daarop zijn ter decoratie grote foto's aangebracht die het verleden verbeelden van dit stukje Groningen. Een ervan is deze:



Tellen geblazen: dertien mannen, nul vrouwen, tien auto's, vier fietswielen, twee parkeermeters en veertien verkeersborden. En dat allemaal op slechts vijfduizend vierkante meter. Het is een idioot straattafereel dat misschien geënsceneerd aandoet, maar het is de bittere waarheid.

Het is een curieuze foto uit 1975 uit de collectie van de Groninger Archieven. Fotograaf onbekend, maar we zien de hand van Frank Straatemeijer. Hij wist de verrassende reuring en de rauwe levendigheid van Stad in de jaren ’70 genadeloos en pakkend te verbeelden.

De korte schaduw van de zon naar het oosten verraadt middagpauze. De mannen lummelen maar wat lamlendig rond. Klerken en kantoorvolk. Ze kijken naar die gast die zojuist met een ferme schop iets wegtrapte. Het getuigt allemaal van een losgeslagen ledigheid. Toch lijkt er sprake van een spel: de twee mannen rechts lijken er deelgenoot van te zijn. Rechts van de mobiele schaftkeet loopt een man uit beeld en links ervan neemt er een een ferme trek van zijn sigaret. Daar weer links van strekt een jongeman zijn beide armen om vervolgens met beide handen te klappen. Welke de prestatie is die kennelijk zijn warm applaus verdient, dat is onduidelijk. Intussen zit een man onderuitgezakt op het trottoir; de schaftkeet als ruggensteun.

We bevinden ons in de analoge wereld. Zonder die tv-antennes op de daken van de huizen, als ze al waren aangesloten, hadden we geen beeld en geluid gehad van wat er in die wonderlijke wereld van toen allemaal aan toeging. En het ging er aan toe zoals we dat hier aan het Kattendiep zien gebeuren.
Zo ongeveer in het midden zien we de tekst GARAGE MODERN tegen de gevel aangebracht. Na zo’n vijfenveertig jaar is deze een door de tijd razendsnel ingehaalde kwalificatie, evenals de praktijk om pompstations, zoals die van ESSO, in de bebouwde omgeving als doodnormaal te vinden. Dan lezen we rechts op die wit geverfde gevel SNIP. De afbeelding boven de deur refereert aan de nering van Snip: groothandel in vis. Met grote trots voerde deze de alom geroemde tekst: SNIP EEN BEGRIP. Mooie middenstandpoëzie. Lastig te evenaren.

Ter zake. Alle aandacht vraagt de 404 die voorbij raast. Is de chauffeur een man of een vrouw. We zien het niet; dus weten we het niet. We laten dit voor wat het is. Dan hoeft dit gegeven niet in de telling te worden meegenomen zoals weergegeven in de eerste alinea. Maar ach, wat zegt ons dat zinloos cijfermatig geturf?

De voorruit van die 404, evenals die van de Renault 4 die daar links geparkeerd staat te staan, zit onder een dikke laag stof. De ruitenwissers hebben hun werk gedaan. Deze laten duidelijk hun sporen na. Saharazand. ’s Zomers is dit een eenvoudig verklaarbaar meteorologisch verschijnsel. Ook toen al!

Die 404 doet shabby aan. Afgeragd. De bumper hangt er slordig bij, de imperiaal is bevestigd aan de dakgootjes, terwijl de auto standaard werd geleverd met vier bevestigingspunten op het dak. Van vernuftig gemak naar dom ongemak. 

1975 was het jaar waarin het definitief gedaan was met de productie van de 404. Dan tref je uiteindelijk dit soort exemplaren op de weg. Deze is van jaren geleden. Dat zien we aan het zwarte kunststof schildje op de grille, waar in het midden ervan de goudkleurige kop en klauwen van een leeuw sieren. Latere bouwjaren moesten het doen met een simpel, nep verguld exemplaar.

Als we de tien auto’s die we hier aantreffen willen benoemen, dan stokt het al gauw bij vijf stuks: die 404, dan een 2CV en een R4, vervolgens een CX en dan een VW Transporter T2. Wie weet welke die andere zijn, die mag het zeggen. Een detailfoto kan daarbij helpen.



Tot slot die parkeermeters. We zien er een alsof deze op het dak van die 404 is gemonteerd. Dan schoof je er een kwartje in, een gulden of een knaak, je gaf de automaat een ferme draai dat met een lekker en plezierig mechanisch geluid gepaard ging en dan was de parkeervergunning voor die specifieke plek for the time being betaald. Op de wijzerplaat ervan liep het metertje in de tijd terug totdat de aangeschafte parkeertijd was bereikt. Simpel, logisch en duidelijk, voor zowel parkeerder als verbalisant.  

Inmiddels zijn we vierenveertig jaar verder:



De dynamiek van een stad brengt de constatering met zich mee dat deze nooit af is. Er is een verleden; geen heden.

zaterdag 4 mei 2019

4 mei



Aan het Akerkhof is het raam van Huis de Beurs omhoog geschoven. Een licht briesje blaast links door de vitrage. Een zomerse dag in 1942. Twee herenrijwielen leunen tegen de smoezelige gevel. De linker heeft een goed gevulde fietstas. De inhoud zal van geen enkele waarde zijn; anders laat je deze niet zo achteloos achter. In die karige oorlogsjaren is immers iedereen in de weer met overleven. Graaien, scharrelen en struinen. Maar ach, beide heren, gezeten aan de stamtafel, houden van achter het potje bier of het kelkje jenever de boel scherp in de gaten.

Met de kwalificatie VOLLEDIGE VERGUNNING aan de gevel geeft de waard royaal te kennen dat hij zijn klandizie alles mag en kan schenken. ‘Vooruit! Kom binnen! Wees welkom!’

Maar wacht. Op het raam links in de hoek heeft hij met drie flinke plakkers een meedogenloze mededeling aangebracht die van zijn gastheerschap niets overlaat: 'Voor Joden verboden.'


Op de rand van het trottoir staat een jongeman in korte broek daar maar wat te staan. Aan het zijgeveltje van het Beurs Theater vergaapt een man zich aan foto’s uit de film die er die week zal worden gedraaid. Adverteren doet begeren. En een wat oudere heer schuifelt met een grote boog om Huis de Beurs. De Jodenster op zijn jas verklaart waarom.

Het is vandaag 4 mei. Dodenherdenking. Twee ogenschijnlijk zo gewone foto’s verbeelden een alledaagsheid waarvan we de tragiek pas naderhand ontwaren.

woensdag 6 maart 2019

Autonoom


In de zomer van 1978 verbleven mijn vriendin van toen en ik van toen een maand of twee aan de west coast van de Verenigde Staten en Mexico. Mooie maanden, dat waren deze.

In San Francisco verplaatsten we ons per Bay Area Rapid Transit, de lokale metro. Tot onze verwondering kwam er geen bestuurder aan te pas. Die functie was geautomatiseerd. Die alledaagsheid van toen is na veertig jaar hier nog steeds toekomstmuziek. Een verwarrend anachronisme.

In Parijs op métrostation Bibliothèque François Mitterrand verbaasde ik me onlangs over de fysieke inrichting ervan: de rails waren aan weerszijden, van perron naar perron, overkoepeld door een halfronde, transparante kunststof tunnel. Arriveert de metro en is deze tot stilstand gekomen, dan openen deuren in die tunnelbuis zich automatisch en wel exact op de posities die corresponderen met de schuifdeuren van het treinstel. Vertrekt deze, dan sluiten de deuren zich weer vanzelf. Geen mens kan hier pardoes, vrijwillig of met kwalijke opzet voor een aanstormende trein zijn leven laten. Wonderlijk. Met grote verbazing bezag ik een en ander vanaf de passage over de sporen.



Knip je deze foto tussen beide treinstellen verticaal door het midden, dan krijg je twee plaatjes die vrijwel identiek zijn. Dat zou je denken. We gaan het zien.

Op treinstel # 15 treffen we het logo van de RATP, op # 01 ontbreekt dit. Ooit er af gefladderd of er langzaam aan er vanaf getrild. Metroritjes zijn geen pretjes. Het eenvoudige logo dateert van 1992 en verbeeldt de contouren van Parijs waar de Seine vanuit het zuiden grillig naar het centrum meandert om dit vanaf daar noordwestelijk weer te verlaten. Een logo is zo sterk als de vanzelfsprekendheid ervan.

Beide treinen rijden hun eigen traject op ligne 14: de linker arriveert en de ander vertrekt. We zien dit aan de piepkleine, zwakke witte en rode verlichting die de rijrichting aangeven. Maar wacht: in #15 zien we geen bestuurder, laat staan een cabine waarin deze geacht wordt zijn werk te doen. De trein blijkt zichzelf te besturen. Deze is autonoom. Taal van tegenwoordig. De passagiers hebben er zichtbaar alle vertrouwen in. Hun kennelijk genoeglijke rust getuigt er van: dom wegdommelen en dom rondkijken voor zover de ondergrondse vergezichten te bieden heeft of, zolang men dit tijdens de rit wordt gegund, zich verdiepen in iets lezenswaardig.

De ongelijkmatige slijtage op het crèmekleurig dak van beide treinstellen valt op. Het intrigeert. Maar ach, wat maakt het eigenlijk allemaal uit. Als ze maar komen en gaan. Die ruitenwisser van minstens een meter breed is andere koek. Het scharniert excentrisch aan de onderzijde van de ruit. Eenmaal aan het werk, dan bestrijkt deze vrijwel het volledige raam. Ruitenwissers voor onder de grond. Niet voor de bestuurder. Die is er immers niet meer.

San Francisco daagde.


We waanden ons even in een aflevering van de Thunderbirds, maar al gauw bleek het de dagelijkse werkelijkheid. De man in de cabine heeft slechts een geruststellende functie: niet de machine, maar de mens wordt ogenschijnlijk geacht de techniek de baas te zijn. Grote kans dat we met een etalagepop van doen hebben gehad, gehesen in bedrijfskleding van Bay Area Rapid Transport. Mensen vertrouwen op mensen. Niet op onfeilbaar gebleken verworvenheden. Vertrouwen wekken vraagt dan ook om knullige kunstgrepen.

Veertig jaar later blijkt in Parijs de cabine van de etalagepop te zijn ingeruimd voor de passagiers. In San Francisco zal het ongetwijfeld niet anders zijn. Misschien is men daar zelfs al weer veertig jaar verder. Wie weet?

In het Dagblad van het Noorden las ik eerder deze week het volgende:



De toekomst wordt ook hier alledaags. Gefaseerd en voorzichtig aan weliswaar, maar toch.
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                          

woensdag 6 februari 2019

Cale


Bij het Trompbruggetje staat een elektriciteitsschakelkastje. De buitenkant geeft zijn feitelijke functie een extraatje. Op de voorzijde is een kunststof billboard aangebracht. Cultuurcentrum De Oosterpoort en poppodium Vera posters klikken er posters in. Passanten worden hiermee geattendeerd op aanstaande concerten. Je moet het maar net zien, zo onopvallend deze blikvanger.

Mijn oog viel op de markante kop van John Cale. Het affiche kondigde zijn concert aan op zondag 4 december 2018 in de Oosterpoort. Daar ging ik op af.



Verwarrend. Er is geen zondag 4 december 2018. Die zal er nooit en te nimmer zijn. Tijd is absoluut onomkeerbaar. Einstein. De laatste met deze combinatie van dag én datum dateert van twee jaar geleden. De volgende laat op zich wachten: 2023. De website van De Oosterpoort noch haar Seizoensgids 18/19 maakte er gewag van.`Wat schieten de mensen op met deze slordige ongerijmdheid?`vroeg ik me retorisch af.

In 1974 verrijkte mijn goede vriend Peter zijn verrassende lp-collectie met Fear, Cale's vierde soloplaat. Op de achterzijde een foto waarop Cale, angstig ineen gekropen, zijn heil zocht bovenop een koelvriescombinatie. Deze lp plakte min of meer vast aan Peter’s draaitafel. Desondanks werden beide kanten om en om gedraaid. Hoe wonderlijk. Het kon niet op met deze lp, muziek die beklijft. Het is vooral zijn stem die er toe doet: lijzig, gedragen en saai, een die het midden houdt tussen Lou Reed, David Bowie en Piet Veerman.




Het concert vond plaats op 4 december 2018. Een dinsdagavond. Van de podiumkaart die ik ooit cadeau kreeg was al een en ander weggewerkt. Ik wendde me tot de kassa van De Oosterpoort. Een sjokkende heer met een stevige wandelstok schoof nét voor me richting balie. Wachten vraagt geduld, maar vooral ook beleefdheid. Op gepaste afstand stond ik daar te staan. Meneer wenste een kaartje voor een voorstelling waartoe de Seizoensgids 18/19 hem had weten te verleiden, maar welke, die was hem ontglipt, laat staan dat hij zich de pagina kon herinneren waarop deze stond vermeld: links of rechts, even of oneven, boven of onder. Ouderdom knaagt aan alles. Vooral aan het dierbaar geheugen. Het beloofde eindeloos bladeren door de gids. Met alle begrip, maar toch. Ik vroeg de dame achter de balie of ik misschien even tussendoor mijn eenvoudige bestelling mocht plaatsen. Dan was dat ook weer klaar. Man-met-stok kreeg mijn vraag kennelijk achteloos mee. Zijn subtiele knik was een vanzelfsprekend akkoord. 

De dame raadpleegde haar beeldscherm en al vlot was ze er uit:

‘Er zijn nog een paar kaarten beschikbaar.’

‘Mooi. Doet u maar. Aan één heb ik meer dan genoeg,’ antwoordde ik terwijl ik haar mijn podiumkaart aanreikte. Met een routine die dit vraagt joeg ze deze langs een pinpad om vervolgens te constateren dat er nog een saldo resteerde van € 32,50. Dit bleek exact het bedrag dat het concert van Cale me zou gaan kosten.



De avond van 4 december 2018 was daar. 

Gebrekkig, houterig en stram, zijn flitsende rode sneakers ten spijt, kwam Cale het podium op. Ouder worden gaat vanzelf. Soms niet. En profil bleek Cale voorzien van een voorbeeldige Romeinse haakneus, een onderkaak die in het Nederlands een centenbakje heet en een smal verticaal, grijs sikje dat zijn kin sierde.

Zijn enthousiasme om aan het concert te beginnen leek ver te zoeken, maar met de obligate verwelkoming ‘Hi Kroeningen’ dacht hij zijn Gronings publiek voor zich te hebben ingenomen. Maar de zeshonderd aanwezigen namen zijn saaie verwelkoming mat in ontvangst. Men liet zich liever inpakken met een concert dat recht zou doen aan zijn legendarisch muzikaal verleden.

Goed. 

Het concert kon beginnen om daarna ook weer te kunnen eindigen.

Zijn digitale piano, waarin ook zijn viool was ondergebracht, had Cale aan de rand van het podium laten plaatsen, kijkrichting het duister van de zaal. Flegmatisch, stuurs en onsympathiek zocht hij het publiek dat zich aan hem vergaapte en zijn muziek tot zich nam. Het bleek een veelzijdig repertoire dat zich laat beschrijven als melodisch, melancholisch, trance, lawaai, monotoon, vuig, ontsporing en georkestreerde chaos. Kortom, eigenzinnig. Alles werd minutieus gespeeld van bladmuziek die Cale vanaf een notebook las. Af en toe draaide hij zich geïrriteerd om naar zijn begeleidingsband, drie jongemannen met een Aziatisch aandoende herkomst. Alsof ze niet deugden. Maar dat deden ze als de besten.

Nee, Cale greep de mensen allerminst naar de keel. Integendeel. Zijn muziek joeg de mensen vlot de tent uit, behalve de liefhebbers met een fanatiek uithoudingsvermogen. Die kregen I’m waiting for the man als toegift mee, een stampend, dreunend en obscuur nummer van The Velvet Underground. Van deze experimentele rockgroep uit New York maakte Cale van 1964 tot 1968 als begenadigd multi-instrumentalist nadrukkelijk deel uit.

Nee, het concert van deze avond bleek verspilling van tijd en geld, maar het was te intrigerend om niet tot deze genadeloze conclusie te kunnen komen.