En daar was ze, de jongedame, met onze bestelling. Op het vierkant roomboterkoekje bij de koffie waren de drie kruizen van het wapen van Amsterdam gebakken. Dat was gepast: we verbleven er immers. Een Stint met maar liefst zes vrolijke kleuters passeerde. De juf stuurde deze met speels gemak en zichtbaar zorgeloos over de wandelpaden. Een paar tafels verderop bogen twee oude mannen zich over een schaakbord, een van beiden vanuit een rollator. Jonge moeders liepen samen op, elk met een luxe wandelwagen met inhoud.
Deze vredigheid werd plots verstoord door vreselijk gegil, geschreeuw en gekrijs. De cappuccino liet ik voor wat deze was en ik ging onmiddellijk op dat tumult af, dertig meter verder op. Misschien zou ik wat kunnen betekenen? Een man of zes , zeven worstelden in het gras met een pikzwarte pitbull die een wollig schoothondje te pakken had genomen. Breng een pitbull maar eens op andere gedachten wanneer deze eenmaal beet heeft! Machteloos en smartelijk spartelde het; wat meer kon het doen dan dat het deed? Een van de mannen had inmiddels een emmer water bij Erasmus opgehaald en over de pitbull gegoten. Het zou hem op andere gedachten kunnen brengen, maar het mocht niet baten. Bij deze zomerse temperaturen werkte deze verkwikkende emmer misschien zelfs averechts! Maar toch: plots gaf de pitbull zich gewonnen. Opluchting alom.
Eenmaal herenigd met haar kleinood beet haar baasje een kleurrijk getatoeëerde vijftiger met een flinke knot grijs haar iets venijnigs en verwijtend toe. In onvervalst Amsterdams reageerde hij: 'Deze hond is niet van mij. Ik redde wat er te redden was'. Het was een pijnlijke insinuatie, beeld en vooroordeel. De pitbull bleek te worden uitgelaten door een Spaanse studente die zich dagelijks als au pair over het beest bekommerde. De baas zelf, die was elders.
